ECLI:NL:RBDHA:2024:9424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
23/5890
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ParticipatiewetArt. 16 Participatiewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens overschrijding verblijf buitenland zonder dringende redenen

Eiseres verbleef van 26 augustus 2022 tot 20 maart 2023 in het buitenland en overschreed daarmee de maximale toegestane periode van vier weken buiten Nederland volgens de Participatiewet. Verweerder trok daarom de bijstandsuitkering per 24 september 2022 in en vorderde de teveel betaalde uitkering terug.

Eiseres stelde dat zij door ziekte gedwongen was langer te blijven vanwege een medische behandeling en dat er dringende redenen waren om de uitkering te handhaven. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden van het langere verblijf niet relevant zijn voor het recht op bijstand, tenzij sprake is van zeer dringende redenen zoals een acute noodsituatie.

De door eiseres overgelegde medische stukken waren onleesbaar en deels in vreemde taal, waardoor niet kon worden vastgesteld dat er sprake was van een acute noodsituatie. Bovendien verbleef eiseres bij haar moeder en ontving zij financiële ondersteuning van een vriendin, waardoor geen behoeftige omstandigheden waren die alleen met bijstand konden worden verholpen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wegens verblijf in het buitenland langer dan vier weken zonder dringende medische noodsituatie is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5890

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Oldenhof),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

Bij besluit van 15 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 24 september 2022 ingetrokken en de over de periode van 24 september 2022 tot en met 31 december 2022 betaalde Pw-uitkering, een bedrag van € 3.177,42, van eiseres teruggevorderd.
Bij besluit van 24 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres heeft op 20 augustus 2022 bij verweerder gemeld dat zij in de periode van 26 augustus 2022 tot en met 26 september 2022 vanwege vakantie in het buitenland verblijft. Eiseres is eerst op 20 maart 2023 is teruggekeerd naar Nederland.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat eiseres op 24 september 2022 de maximale termijn van 4 weken verblijf buiten Nederland heeft overschreden. De bijstandsuitkering dient daarom per die datum te worden ingetrokken en de teveel betaalde bijstandsuitkering van eiseres te worden teruggevorderd.
3. Eiseres voert aan dat zij als gevolg van ziekte gedwongen was langer in het buitenland te verblijven dan zij van plan was. Uit de door haar overlegde stukken blijkt volgens haar dat zij genoodzaakt was om een medische behandeling te ondergaan. Eiseres is van mening dat er dringende reden zijn als bedoeld in artikel 16 van Pro de PW om toch aan haar een bijstandsuitkering te verstrekken.
4.1.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland geen recht op bijstand.
4.2.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Pw kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft toch bijstand worden verleend indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
5.1.
Onbetwist is dat eiseres vanaf 24 september 2022 langer dan de toegestane duur als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw in het buitenland heeft verbleven. Daarmee heeft eiseres vanaf die datum geen recht op een bijstandsuitkering. Volgens vaste rechtspraak [1] zijn daarbij de omstandigheden waaronder of de redenen voor dit langere verblijf niet relevant.
5.2.
Met betrekking tot de stelling van eiseres dat sprake is van een dringende reden overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak [2] doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Verder dient bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet meegewogen te worden of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.
5.3.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich vanwege haar medische situatie in een acute noodsituatie bevond. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar medische situatie stukken in het geding gebracht, maar deze stukken zijn onleesbaar en, voor zover deze wel leesbaar zijn, opgesteld in een vreemde taal. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat sprake was een zodanige (medische) noodsituatie dat het voor eiseres onmogelijk was tijdig terug te keren naar Nederland. Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij tijdens haar verblijf in Marokko in behoeftige omstandigheden verkeerde die enkel met de verlening van bijstand te verhelpen waren. Daarbij is van belang dat eiseres in Marokko bij haar moeder verbleef en een vriendin aan eiseres heeft geld gestuurd om in haar levensonderhoud te voorzien.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht de bijstandsuitkering met ingang van 24 september 2022 heeft ingetrokken en de over de periode van 24 september 2022 tot en met 31 december 2022 betaalde bijstandsuitkering heeft teruggevorderd.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van
W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.