ECLI:NL:RBDHA:2024:947

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 januari 2024
Publicatiedatum
29 januari 2024
Zaaknummer
NL23.23865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep inreisverbod

Verzoekster had beroep ingesteld tegen een inreisverbod opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na het instellen van het beroep heeft verweerder een machtiging tot voorlopig verblijf verleend en het inreisverbod opgeheven. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank overwoog dat intrekking van het beroep vanwege tegemoetkomen door het bestuursorgaan alleen leidt tot proceskostenveroordeling indien het bestuursorgaan erkent dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. In deze zaak was het intrekken van het inreisverbod het gevolg van het verlenen van een machtiging op andere gronden dan het bestreden besluit, waardoor geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.

Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter M.C. Verra en griffier D.A.M. Delger op 11 januari 2024.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.23865
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een inreisverbod opgelegd, zoals bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verzoekster heeft op 21 augustus 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft bij besluit van 5 september 2023 de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel ‘familie en gezin ’(de aanvraag) ingewilligd. In dit besluit heeft verweerder het inreisverbod van 14 augustus 2023 opgeheven.
Verzoekster heeft op 7 september 2023 het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd. Verzoekster heeft vervolgens nog een reactie ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.1
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het inwilligen van de aanvraag van verzoekster niet tot gevolg heeft dat het bestreden besluit onjuist was of onrechtmatig is genomen. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verzoekster voert daartegen aan dat er volledig is tegemoetgekomen aan het beroep omdat verweerder het inreisverbod alsnog heeft ingetrokken.
5. De rechtbank stelt vast dat de intrekking van het beroep het gevolg is van de inwilliging van de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft immers geen belang meer bij haar beroep tegen het inreisverbod, omdat zij inmiddels een machtiging tot voorlopig verblijf heeft gekregen en het inreisverbod daarbij is opgeheven. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze omstandigheden niet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Er is daarom geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt om die reden als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van D.A.M. Delger, griffier.
1 Zie onder meer de uitspraken van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:676 en van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 januari 2024

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.