ECLI:NL:RBDHA:2024:9470
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek Ziektewet-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Eiseres was administratief medewerkster en meldde zich op 25 februari 2021 ziek. Na beëindiging van haar dienstverband kreeg zij een Ziektewet-uitkering toegekend, die per 12 november 2021 werd beëindigd omdat zij geschikt werd geacht haar eigen werk te verrichten. Eiseres meldde zich opnieuw ziek per 1 december 2021, maar de aanvraag voor een nieuwe ZW-uitkering werd geweigerd en haar bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
Eiseres verzocht vervolgens om herziening van de besluiten van 9 november 2021 en 18 maart 2022, stellende dat haar posttraumatische stressklachten, depressie, CTS-klachten en fibromyalgie onvoldoende waren meegewogen. Verzekeringsartsen onderzochten de medische gegevens en concludeerden dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening. De rechtbank oordeelde dat de klachten reeds bekend waren en adequaat waren beoordeeld, en dat de diagnose fibromyalgie geen nieuw feit vormde.
De rechtbank stelde vast dat het bestuursorgaan terecht artikel 4:6 Awb Pro toepaste en dat het besluit niet evident onredelijk was. Ook was geen sprake van een verzoek om herziening voor de toekomst (duuraanspraak). Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar herzieningsverzoek Ziektewet-uitkering wordt ongegrond verklaard.