ECLI:NL:RBDHA:2024:9586
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder redelijk vooruitzicht op verwijdering
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 20 februari 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en besloot het onderzoek op zitting achterwege te laten.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 26 maart 2024, het moment van sluiting van het eerdere onderzoek. Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Algerije is, mede omdat de Algerijnse autoriteiten geen nationaliteitsverklaring zouden afgeven en de afgifte van laissez passers minimaal is.
De rechtbank oordeelde dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de staatssecretaris regelmatig navraag doet over de lp-aanvraag en dat eiser niet is verschenen bij een geplande presentatie, waardoor eventuele vertraging voor zijn rekening komt. Er is onvoldoende bewijs dat het zicht op uitzetting is vervallen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.