Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 26 oktober 2022, waarna verweerder de beslistermijn verlengde met negen maanden. Eiser stelde verweerder op 13 maart 2023 in gebreke en diende daarna beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een nader gehoor moet afnemen en daarna een besluit moet nemen. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500.
Ook wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50. De rechtbank wijst op de toepasselijkheid van artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, en volgt recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.