Eiser, een Guinese vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 12 januari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een onttrekkingsrisico. Hij stelde dat hij onrechtmatig was opgehouden omdat de maatregel op een verkeerde wettelijke grondslag zou zijn gebaseerd en verweerder niet voldeed aan de informatieplicht volgens artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit.
De rechtbank constateerde dat verweerder niet schriftelijk in een taal die eiser verstaat de specifieke juridische en feitelijke gronden van de bewaring had verstrekt, wat een tekortkoming in de informatieplicht vormt. Echter, eiser was tijdens het gehoor met tolk geïnformeerd over de redenen en had ook een informatiefolder ontvangen over rechtsmiddelen en rechtsbijstand.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat de ernst van het onttrekkingsrisico en het belang van verweerder bij de maatregel zwaarder wogen dan het nadeel van het niet volledig voldoen aan de informatieplicht. Eiser betwistte de feiten die aan de maatregel ten grondslag lagen niet en verweerder toonde aan dat een lichter middel niet effectief zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.