ECLI:NL:RBDHA:2025:10007

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL25.23522
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b lid 3 VbArt. 5.1b lid 4 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het besluit van 21 mei 2025 waarbij de minister van Asiel en Migratie een maatregel van bewaring oplegde op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. De maatregel was gebaseerd op het risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken.

De rechtbank constateerde dat meerdere zware en lichte gronden onbetwist en voldoende gemotiveerd waren, waaronder eerdere onttrekkingen aan toezicht en het niet op de juiste wijze binnenkomen in Nederland. Het betoog van de vreemdeling dat een lichter middel volstond en dat hij een vriendin in Nederland had, werd niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was en dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23522

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1992.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Er is namelijk sprake van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware grond 3d en voert aan dat het niet ligt aan zijn onwil om mee te werken aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Hij is op dit moment immers beperkt door de inbewaringstelling.
4. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a, 3b en 3c evenals de lichte gronden onbetwist zijn gebleven. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig ook voldoende gemotiveerd. Deze gronden kunnen de maatregel dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. De overige gronden en wat eiser daartegen aanvoert hoeven daarom niet te worden beoordeeld, omdat dat niet kan leiden tot een andere uitkomst.
5. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring. Eiser heeft een vriendin in Nederland. Indien zijn asielaanvraag wordt afgewezen, zou eiser ook verblijf bij zijn vriendin kunnen aanvragen. Daarnaast zou hij in vrijheid de nodige documenten kunnen krijgen. Een risico op onttrekking is niet aanwezig, nu eiser hier wilt blijven en niet wilt terugkeren naar Tunesië.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het risico op onttrekking te ondervangen. Daarbij is niet bestreden dat eiser zich eerder meerdere malen aan het toezicht heeft onttrokken. Verweerder mag dan ook aannemen dat eiser zich niet beschikbaar zal houden gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een vriendin heeft en dat zij afhankelijk zou zijn van hem. Evenmin is gebleken dat de bewaring om andere reden voor eiser onevenredig bezwarend moet worden geacht.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.