Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, werd op 28 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft de maatregel op 29 april 2025 opgeheven, waarna eiser beroep instelde tegen de bewaring en tevens een verzoek om schadevergoeding indiende.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was. Eiser stelde dat hij niet voldoende geïnformeerd was over zijn recht op aanwezigheid van een advocaat bij het gehoor, dat de minister de informatieplicht schond, en dat sprake was van vooringenomenheid. Deze gronden faalden omdat uit het dossier blijkt dat eiser op de hoogte was van zijn rechten en de informatiebrief in begrijpelijke taal ontving. Ook was er geen bewijs van vooringenomenheid.
Verder was de bewaring volgens de rechtbank noodzakelijk vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het belang van het verkrijgen van gegevens voor de asielprocedure. De minister had voldoende zware gronden aangevoerd, waarvan twee gronden (3a en 3b) feitelijk juist waren en de maatregel konden dragen. Het beroep op humanitaire gronden en het ontbreken van motivering voor een lichter middel werd verworpen.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.