ECLI:NL:RBDHA:2025:10010

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL25.23725
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, werd op 28 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft de maatregel op 29 april 2025 opgeheven, waarna eiser beroep instelde tegen de bewaring en tevens een verzoek om schadevergoeding indiende.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was. Eiser stelde dat hij niet voldoende geïnformeerd was over zijn recht op aanwezigheid van een advocaat bij het gehoor, dat de minister de informatieplicht schond, en dat sprake was van vooringenomenheid. Deze gronden faalden omdat uit het dossier blijkt dat eiser op de hoogte was van zijn rechten en de informatiebrief in begrijpelijke taal ontving. Ook was er geen bewijs van vooringenomenheid.

Verder was de bewaring volgens de rechtbank noodzakelijk vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het belang van het verkrijgen van gegevens voor de asielprocedure. De minister had voldoende zware gronden aangevoerd, waarvan twee gronden (3a en 3b) feitelijk juist waren en de maatregel konden dragen. Het beroep op humanitaire gronden en het ontbreken van motivering voor een lichter middel werd verworpen.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23725

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 29 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Jordaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1992.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Namens eiser is gesteld dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd omdat eiser niet op de hoogte is gebracht van het recht op aanwezigheid van een advocaat bij het gehoor voorafgaand aan de maatregel. Daartoe heeft eisers gemachtigde gewezen op eisers verklaring dat hij gebruik wilde maken van het recht op bijstand, maar dat vervolgens niet is gevraagd of eiser akkoord was met het houden van het gehoor zonder aanwezigheid van een advocaat. Uit het proces-verbaal M110 volgt dat het gehoor heeft plaatsgehad zonder de aanwezigheid van de aangewezen piketadvocaat omdat deze had verklaard niet bij het gehoor aanwezig te willen of kunnen zijn. Ook vermeld het proces-verbaal dat eiser begrijpt dat de piketadvocaat verhinderd is en hem op een later tijdstip zal bezoeken. Hoewel de rechtbank met de gemachtigde van eiser vaststelt dat eiser niet expliciet is gevraagd of hij ermee akkoord was dat hij zonder aanwezigheid van een advocaat werd gehoord, volgt daaruit niet dat moet worden geconcludeerd dat eiser onvoldoende is geïnformeerd over zijn recht op rechtsbijstand. Namens eiser is niet gesteld dat hij niet wist dat dit recht ook de aanwezigheid van een advocaat bij het gehoor omvat. De enkele omstandigheid dat niet kan worden uitgesloten dat eiser dit niet heeft geweten, is niet voldoende om een gebrek aan te nemen. De beroepsgrond faalt.
4. Namens eiser is gesteld dat de minister heeft gehandeld in strijd met zijn in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vastgelegde informatieplicht. Uit het dossier zou namelijk niet eenduidig blijken van het uitreiken van de schriftelijke informatie over de gronden van de maatregel, de mogelijkheid van beroep en de daarbij te verkrijgen gratis rechtsbijstand. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit vermeldt dat de informatiebrief ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ aan eiser is uitgereikt in de voor hem begrijpelijke Arabische taal. Deze door de minister opgestelde informatiebrieven bevatten zowel de gronden van de maatregel als informatie over de mogelijkheid van beroep. De omstandigheid dat het dossier alleen een informatiebrief in de Nederlandse taal zit, is geen reden om aan de daadwerkelijke uitreiking van de brief aan eiser te twijfelen. De omstandigheid daarnaast dat in dit geval sprake is van een kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw, is dat evenmin. Ook hier geldt dat eiser niet stelt dat hij de in artikel 5.3 van het Vb bedoelde informatie niet heeft ontvangen. Dat eiser niet specifiek zou zijn geïnformeerd over kosteloze rechtsbijstand door een advocaat, leidt – wat daar verder ook van zij – niet tot de onrechtmatigheid van de maatregel, nu niet is gesteld dat eiser zich hierdoor heeft laten weerhouden van het instellen van beroep. De beroepsgrond faalt.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister blijk heeft gegeven van vooringenomenheid. De passage in het proces-verbaal M110 “ik zal de door mij opgemaakte zaakstukken aan hem
[de piketadvocaat]laten toekomen” rechtvaardigt niet de veronderstelling dat reeds op voorhand was besloten om eiser in bewaring te stellen. Zoals het proces-verbaal M110 vermeldt was op dat moment nog slechts sprake van een voornemen tot het opleggen van de maatregel van bewaring, op welk voornemen eiser vervolgens is gehoord. De beroepsgrond faalt.
6. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de minister de noodzaak van de maatregel nader had moeten motiveren door inzicht te geven in de stand van de asielprocedure. Nu ten tijde van het opleggen van de maatregel nog moest worden beslist op de asielaanvraag en sprake was van een onttrekkingsrisico, was voldaan aan de voorwaarden om de maatregel te baseren op de grondslag van artikel 59b, eerste lid onder b, van de Vw.
7. De minister heeft ter onderbouwing van het aan te nemen risico op onttrekking, als zware gronden zoals genoemd in artikel 5.1b, derde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden zoals genoemd in artikel 5.1b, vierde lid van het Vb vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. De minister heeft ter zitting de zware gronden 3h en 3i laten vallen. Eiser bestrijdt verder dat de zware gronden 3c en 3d aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat in elk geval de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en daarom aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd. Deze gronden kunnen de maatregel zelfstandig dragen. Dat betekent dat de overige gronden en wat eiser daartegen aanvoert niet hoeft te worden beoordeeld, nu dat niet tot een geslaagd beroep kan leiden.
9. Namens eiser is aangevoerd dat de minister om humanitaire redenen had moeten volstaan met een lichter middel, gelet op medische problematiek (zware keelpijn en oorpijn) en de door eiser ervaren stress door de inbewaringstelling. Door de minister is daarom onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast. De rechtbank volgt dit niet. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat een lichter middel niet doeltreffend is toe te passen om het risico op onttrekking te ondervangen. Daarbij heeft de minister er op gewezen dat de inbewaringstelling voor eiser niet onevenredig bezwaarlijk is, gelet op de in detentie beschikbare medische voorzieningen. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom zal ook het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.