Eiser diende een asielaanvraag in waarop de minister niet binnen de wettelijk gestelde termijn heeft beslist. De minister ontving de aanvraag op 2 december 2023 en verlengde de beslistermijn met negen maanden op grond van WBV 2023/3. Eiser stelde de minister op 4 maart 2025 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel van de ABRvS, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. De rechtbank legt een totale beslistermijn van zestien weken op.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier M.M. Mulder op 4 juni 2025. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.