De minister van Asiel en Migratie heeft op 23 mei 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 3 juni 2025 via een beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat het zicht op uitzetting naar Sri Lanka ontbreekt, mede omdat hij in 2022 ook in bewaring heeft gezeten zonder dat uitzetting heeft plaatsgevonden. Volgens eiser moet de bewaring daarom worden opgeheven. De rechtbank oordeelt echter dat voor bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 geen redelijk vooruitzicht op verwijdering vereist is, zodat het ontbreken van zicht op uitzetting niet relevant is voor de rechtmatigheid van de maatregel.
De rechtbank heeft ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel getoetst en geen gronden gevonden om de bewaring onrechtmatig te achten. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier N. El-Amrani op 10 juni 2025. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.