ECLI:NL:RBDHA:2025:10113
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken niet onterecht
Eiser, een Palestijnse asielzoeker, diende op 28 juli 2024 een asielaanvraag in die niet in behandeling werd genomen omdat Spanje verantwoordelijk was voor de behandeling. De overdracht aan Spanje werd gepland op 10 en 26 maart 2025, maar beide keren ging de overdracht niet door.
Verweerder verlengde daarop de overdrachtstermijn tot 18 maanden op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. Eiser betoogde dat er geen sprake was van onderduiken en dat het verweerschrift te laat was ingediend, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren.
De rechtbank stelde vast dat eiser ondanks meerdere pogingen van het COa om hem te informeren over de ophaaltijd op 25 maart 2025 niet aanwezig was op zijn kamer en ook niet zelf navraag deed bij de receptie. Op 26 maart 2025 was eiser wederom niet aanwezig bij de overdracht. Dit gedrag kwalificeert als onderduiken volgens de uitleg van het Hof van Justitie in het arrest Jawo.
Daarom was de verlenging van de overdrachtstermijn terecht en blijft het bestreden besluit in stand. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken wordt ongegrond verklaard.