Eiser, een Zuid-Afrikaanse asielzoeker, diende op 21 maart 2023 een aanvraag tot verblijfsvergunning in. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Polen verantwoordelijk werd geacht. Op 10 december 2024 verlengde de minister de overdrachtstermijn naar Polen wegens vermeend onderduiken van eiser.
Eiser betwistte dat sprake was van onderduiken en stelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was, waardoor hij niet kon beoordelen of de verlenging terecht was. Hij verwees naar jurisprudentie en stelde dat hij zich aan zijn meldingsplicht had gehouden en niet bewust buiten bereik van de autoriteiten was gebleven.
De rechtbank oordeelde dat het enkele niet verschijnen bij het vertrekgesprek onvoldoende was om het vermoeden van onderduiken te rechtvaardigen. Er was geen bewijs dat eiser op de hoogte was van zijn verplichtingen om afwezigheid te melden. Daarom was de verlenging van de overdrachtstermijn onterecht en werd het besluit vernietigd.
Omdat de overdracht niet binnen zes maanden had plaatsgevonden, is de minister verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van € 1.814 aan eiser.