ECLI:NL:RBDHA:2025:10161

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
11 juni 2025
Zaaknummer
NL24.50624
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, tweede lid DublinverordeningArt. 3:46 AwbArt. 5 richtlijn 2013/33Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verlenging overdrachtstermijn Dublinprocedure wegens onvoldoende onderbouwing onderduiken

Eiser, een Zuid-Afrikaanse asielzoeker, diende op 21 maart 2023 een aanvraag tot verblijfsvergunning in. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Polen verantwoordelijk werd geacht. Op 10 december 2024 verlengde de minister de overdrachtstermijn naar Polen wegens vermeend onderduiken van eiser.

Eiser betwistte dat sprake was van onderduiken en stelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was, waardoor hij niet kon beoordelen of de verlenging terecht was. Hij verwees naar jurisprudentie en stelde dat hij zich aan zijn meldingsplicht had gehouden en niet bewust buiten bereik van de autoriteiten was gebleven.

De rechtbank oordeelde dat het enkele niet verschijnen bij het vertrekgesprek onvoldoende was om het vermoeden van onderduiken te rechtvaardigen. Er was geen bewijs dat eiser op de hoogte was van zijn verplichtingen om afwezigheid te melden. Daarom was de verlenging van de overdrachtstermijn onterecht en werd het besluit vernietigd.

Omdat de overdracht niet binnen zes maanden had plaatsgevonden, is de minister verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van € 1.814 aan eiser.

Uitkomst: Het verlengingsbesluit van 10 december 2024 wordt vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50624

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: D.W. Beemers)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de verlenging
van de overdrachtstermijn in de Dublinprocedure.
1.1
Eiser heeft op 21 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het besluit van 17 augustus 2023 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 heeft verweerder de termijn voor overdracht naar Polen verlengd.
1.2
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 13 mei 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en verweerder zijn met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [datum] 2004 en heeft de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Verweerder heeft de termijn voor overdracht overeenkomstig artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening verlengd omdat volgens haar sprake is van onderduiken.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder dat sprake zou zijn van onderduiken in de zin van artikel 29 lid 2 Dublinverordening Pro, waardoor de gebruikelijke overdrachtstermijn onterecht is verlengd. In het bestreden besluit van 10 december 2024 is onvoldoende gemotiveerd waarom sprake zou zijn van onderduiken en daarmee in strijd met artikel 3:46 Awb Pro gehandeld. Het is daardoor niet mogelijk voor eiser om te beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat sprake is van onderduiken. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden. Dat verweerder nadere informatie heeft vertrekt kan dit gebrek niet helen. Eiser doet een beroep op het Jawo [1] arrest en de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022 [2] en stelt geen sprake is van onderduiken. In dit verband wijst eiser erop dat sprake is geweest van een MOB-melding of een ingevuld TBBA-formulier [3] , uit dit formulier volgt dat verweerder toets aan drie voorwaarden om te beoordelen of sprake is van het feitelijk buiten bereik zijn van de autoriteiten. Allereerst of de Dublinclaimant is verschenen op de gesproken ophaaltijd voor overdracht, ten tweede of hij niet op zijn kamer is en ten derde of hij niet redelijk direct elders waarneembaar is voor de autoriteiten. Aan de voorgaande voorwaarden is niet voldaan, ter onderbouwing verwijst eiser naar paragraaf A3/6 Vc en C1/2.6 Vc. Voor zover eiser niet heeft meegewerkt aan de overdracht is dit onvoldoende om aan te nemen dat hij is ondergedoken. Ook stond er nog geen overdracht gepland die door het onderduiken niet kon worden uitgevoerd en waaraan eiser zich kon onttrekken. Eiser heeft zich conform de eis steeds bij het CAO gemeld tot door zijn casemanager is aangegeven dat hij zich niet meer hoefde te melden. Ten slotte heeft gemachtigde nog contact met eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de uiterlijke overdrachtstermijn op goede gronden heeft kunnen verlengen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
6. Uit artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening volgt dat de overdrachtstermijn van een vreemdeling met maximaal 18 maanden kan worden verlengd indien deze vreemdeling onderduikt. Voor onderduiken is volgens vaste rechtspraak vereist dat een vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft. [4] De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat verweerder er – als de overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten daarvan op de hoogte te brengen – van mag uitgaan dat hij de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op de voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de betrokken vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een dergelijke bedoeling niet had. [5]
6.1
Hoewel duidelijk is dat eiser bij het vertrekgesprek van 9 december 2024 niet verschenen is, is deze omstandigheid in dit geval onvoldoende om het rechtsvermoeden aan te nemen dat eiser is ondergedoken. Op basis van het dossier en bij gebreke van een nadere toelichting namens verweerder ter zitting, kan de rechtbank niet vaststellen dat eiser op de hoogte is gesteld van zijn verplichtingen om de nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te stellen. In de uitnodiging van het vertrekgesprek is uitsluitend vermeld dat indien eiser niet mee zou werken aan zijn overdracht, de DT&V de gedwongen overdracht in gang zou zetten. Deze enkele mededeling is onvoldoende om aan te nemen dat eiser overeenkomstig artikel 5 van Pro richtlijn 2013/33 naar behoren werd ingelicht over zijn desbetreffende verplichtingen.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgrond slaagt. Verweerder is niet op goede gronden uitgegaan van het rechtsvermoeden dat eiser is ondergedoken. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Gelet op de afwezigheid van verweerder ter zitting, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. Nu overdracht van eiser aan Polen niet binnen zes maanden heeft plaatsgevonden sinds het claimakkoord van 23 juni 2023 is verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
8. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het verlengingsbesluit van 10 december 2024
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eiser
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2019:218.
3.Standaardformulier Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten in de zin van de Dublinverordening ter verlenging van de Uiterste Overdrachtsdatum.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16.