ECLI:NL:RBDHA:2025:1017
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd op 14 november 2024 op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder was deze maatregel reeds getoetst en geacht rechtmatig te zijn tot 26 november 2024. De rechtbank beoordeelde nu uitsluitend de rechtmatigheid sinds dat moment.
Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko, omdat de aanvraag voor een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten nog openstond en geen presentatie gepland was. De rechtbank oordeelde dat aan de Marokkaanse autoriteiten enige tijd gegund moet worden om de aanvraag te verwerken en dat het ontbreken van een geplande presentatie onvoldoende is om te concluderen dat geen zicht op uitzetting bestaat.
Verder bleek uit het vertrekgesprek dat eiser niet beschikte over geldige identiteitsdocumenten, waardoor zijn identiteit en nationaliteit niet als duidelijk konden worden beschouwd. De rechtbank vond geen grond om de maatregel van bewaring als onrechtmatig te beschouwen en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.