Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank constateert dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Het beroep is daarmee terecht en gegrond.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op van acht weken na verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Indien de minister binnen deze termijn nader onderzoek nodig acht en dit schriftelijk aan eiser meedeelt, geldt een termijn van twintig weken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook moet de minister het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 6 juni 2025.