Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank oordeelt dat de minister de beslissingstermijn, die na verlenging negen maanden bedroeg, heeft overschreden. Eiser stelde de minister tijdig in gebreke en diende vervolgens een beroep in, dat gegrond wordt verklaard.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van zestien weken, waarin de minister eerst binnen acht weken een nader gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen, gevolgd door een beslissing binnen acht weken daarna. Dit volgt het 8+8-wekenmodel zoals vastgesteld door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank oordeelt dat de minister geen bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, maar wel een rechterlijke dwangsom opgelegd krijgt. Tot slot wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.