AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom
Eiser heeft voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag van 15 maart 2022. De rechtbank had eerder op 5 december 2024 het eerste beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken te beslissen, met een dwangsom van €100 per dag vertraging tot maximaal €7.500.
Ondanks deze uitspraak heeft de minister nog steeds niet besloten, waardoor de rechtbank het beroep opnieuw gegrond verklaart en constateert dat de maximale dwangsom is bereikt. De rechtbank legt nu een hogere dwangsom van €200 per dag op, met een maximum van €15.000, vanwege de herhaalde nalatigheid van de minister.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Daarnaast veroordeelt zij de minister tot betaling van de proceskosten van eiser van €453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 AwbPro omdat het beroep kennelijk gegrond is.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister binnen twee weken alsnog te beslissen op de asielaanvraag en legt een dwangsom van €200 per dag vertraging op.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19787
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Eiser heeft op 29 april 2025 voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag van 15 maart 2022 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vw [1] (asielaanvraag).
De minister heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
Overwegingen
1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Awb [2] maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk gegrond is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan
de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 vanPro de Awb.
Een ingebrekestelling is echter niet nodig als de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, ondanks het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet houdt. [3] Het bestuursorgaan is na het verstrijken van die termijn direct in verzuim om een besluit te nemen.
3. Eiser heeft eerder beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van 15 maart 2022. Deze rechtbank, met zittingsplaats Arnhem, heeft het beroep bij uitspraak van 5 december 2024 [4] gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen acht weken na verzending van die uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de minister aan eiser een dwangsom van
€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
4. De rechtbank stelt vast dat de door de rechtbank gestelde termijn is verstreken en
dat de minister nog altijd niet heeft beslist op de aanvraag van eiser. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank stelt tevens vast dat ook de maximaal door de minister te verbeuren dwangsom van € 7.500,- is volgelopen.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in een uitspraak van 30 november 2022 geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend is, voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen. [5] Dit betekent dat de bestuursrechter óók in asielprocedures, als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat de minister binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat de minister in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Verder betekent dit dat de bestuursrechter óók in asielprocedures kan bepalen dat, als of zolang de minister niet voldoet aan een uitspraak, hij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt.
6. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
7. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, heeft de Afdeling de minister gevolgd in diens standpunt dat een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model), passend is.
Gelet op de tijd die tot op heden (ongebruikt) is verstreken en de eerdere gegrondverklaring van een beroep tegen het uitblijven van een besluit, acht de rechtbank een termijn van twee weken in dit geval niet onnodig lang en niet onrealistisch kort. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken.
8. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Er is aanleiding voor deze hogere dwangsom omdat de minister, ondanks dat eiser al eerder beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen en het beroep gegrond is verklaard, nog steeds geen besluit op de asielaanvraag bekend heeft gemaakt.
9. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
A.N. Egberink - Jonker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoten
1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4403.