Art. 59 Vw 2000paragraaf A5/6.12 Vc 2000Art. 50 lid 3 Vw 2000Art. 50a lid 1 Vw 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiser werd op 26 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 10 juni 2025, waarbij eiser via videoverbinding verscheen met zijn gemachtigde.
Eiser betoogde dat de minister zijn inspanningsverplichting schond door tussen 6 en 26 mei 2025 geen uitzettingshandelingen te verrichten terwijl hij in strafrechtelijke detentie verbleef. De rechtbank stelde vast dat de minister vanaf 8 mei 2025 bekend had kunnen zijn met de situatie, maar geen uitzettingshandelingen verrichtte, waardoor sprake was van een schending van de inspanningsverplichting.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat deze schending niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. De belangenafweging viel in het voordeel van de minister uit, mede omdat eiser niet aan zijn vertrekplicht had voldaan en het risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. Ook de psychische problematiek van eiser deed hieraan niet af.
Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in het verkrijgen van identiteitsdocumenten, maar de rechtbank vond dat de minister adequaat had gehandeld door een aanvraag voor een laissez-passer te doen. De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en wees het verzoek om schadevergoeding af. Wel werden de proceskosten ten laste van de minister toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24232
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Heeft de minister zijn inspanningsverplichting geschonden?
1. Eiser betoogt dat de minister in de periode van 6 mei 2025 tot 26 mei 2025 geen uitzettingshandelingen heeft verricht en hierdoor niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Eiser heeft van 6 mei 2025 tot 26 mei 2025 in strafrechtelijke detentie verbleven. De M122 [1] is op 8 mei 2025 opgemaakt. Uit deze M122 en de registratiekaart DJI van 23 mei 2025 volgt dat eiser op 26 mei 2025 zou worden overgenomen in vreemdelingenbewaring, vanuit strafrechtelijke detentie. Indien het betoog van eiser tot een belangenafweging zou leiden, wijst eiser erop dat hij het zwaar heeft in detentie en dat (uit zijn medicatie volgt dat) hij aan psychische problematiek lijdt.
1.1.
Vast staat dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen heeft verricht. De rechtbank stelt voorop dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser een inspanningsverplichting had om te voorkomen dat eiser na afloop van die detentie in bewaring moest worden gesteld. [2] De rechtbank volgt het betoog van de minister op de zitting, dat hij pas op 23 mei 2025 bekend is geworden met het feit, dat eiser strafrechtelijk was gedetineerd en daarna zou worden overgenomen niet. Voorop staat dat de M122 is opgesteld door een buitengewoon opsporingsambtenaar van de Eenheid Amsterdam, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). Daarnaast bevat het dossier een document “HV21 Formulier bijzonderheden zaak”, dat is opgemaakt op 8 mei 2025, waaruit ook volgt dat AVIM bekend was met het feit dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie zou worden overgenomen in de vreemdelingenrechtelijke procedure. Hiermee staat vast dat de overname van eiser vanaf 8 mei 2025 bij de minister bekend had kunnen en moeten zijn. Vast staat ook dat de minister in de periode van 8 mei tot en met 25 mei 2025 geen uitzettingshandelingen heeft verricht. Hierdoor stelt de rechtbank vast dat de minister haar inspanningsverplichting heeft geschonden.
1.2.
De schending van de inspanningsverplichting zoals bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) leidt echter niet zonder meer tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat er in dat geval ruimte is voor een belangenafweging. [3] De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van de minister moet uitvallen. Daarbij is van belang dat de gronden van de maatregel niet zijn betwist en deze de maatregel kunnen dragen en dat hieruit het risico volgt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is eiser op 27 maart 2025 bekend geworden met het feit dat er op hem een vertrekplicht rust en hij Nederland binnen een maand moet verlaten. Eiser heeft niet aan deze vertrekplicht voldaan. Deze omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek en de daardoor geschonden belangen. Het enkele feit dat eiser het zwaar heeft in detentie en kampt met psychische problematiek, maakt de uitkomst van de belangenafweging niet anders.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is voor eiser een aanvraag om een laissez-passer verzonden op 3 juni 2025. Maar eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit zelf kenbaar gemaakt en hij kan daarvan documenten overleggen. De minister had naar het huis van een vriend van hem kunnen gaan, waar de identiteitsdocumenten zich bevinden, om deze op te halen. Ook had bij de autoriteiten aandacht gevraagd kunnen worden voor deze stukken.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geen reden gezien om aan te nemen dat eiser beschikt over documenten die zijn nationaliteit en identiteit kunnen bevestigen teneinde het proces tot vertrek naar Roemenië te bespoedigen. Eiser heeft in het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling weliswaar verklaard dat hij documenten heeft, maar hij kon deze niet overleggen. Ook kon hij niet specificeren waar de documenten dan zouden zijn. Bovendien heeft eiser in het vertrekgesprek van 30 mei 2025 verklaard dat hij niet precies weet waar zijn identiteitsdocumenten zijn. Doordat eiser geen identiteitsdocumenten heeft is de minister gehouden om een aanvraag om een laissez-passer te doen. Dit traject is door de minister op 3 juni 2025 opgestart. Dit betekent dat er in de periode van 26 mei 2025 tot het moment van de zitting twee vertrekhandelingen zijn verricht. Dit is voldoende voortvarend.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de minister geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4.1.
Gezien het vastgestelde gebrek (zie onder 1.1.) veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
1.De Mededeling toepassing artikel 50, derde lid dan wel artikel 50a eerste lid van de Vw 2000.
2.Dit volgt uit paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:764).
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.