ECLI:NL:RVS:2020:764

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
202000795/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing vreemdelingenbewaring na hoger beroep

De vreemdeling is bij besluit van 15 januari 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 27 januari 2020 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Hij klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris geen inspanningsverplichting had geschonden. De Raad van State overwoog dat een schending van de inspanningsverplichting niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat nog een belangenafweging moet plaatsvinden.

In deze zaak was de belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris, aangezien de vreemdeling de gronden en motivering van de bewaring niet had betwist. Er was een significant risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken. Ook was van belang dat de inspanningsverplichting slechts twee weken bestond en dat de overdracht direct na plaatsing in bewaring was gestart.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202000795/1/V3.
Datum uitspraak: 17 maart 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2020 in zaak nr. NL20.1264 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 27 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de inspanningsverplichting niet heeft geschonden, maar deze klacht leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Een schending van de inspanningsverplichting betekent niet dat de maatregel van bewaring daarom al onrechtmatig is. Er is namelijk nog ruimte voor een belangenafweging (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1548). In dit geval valt de belangenafweging uit in het voordeel van de staatssecretaris aangezien de vreemdeling de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de motivering van de maatregel niet heeft betwist. Daaruit volgt dat er een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook is van belang dat de inspanningsverplichting slechts gedurende twee weken van de strafrechtelijke detentie van de vreemdeling heeft bestaan en dat de staatssecretaris op de dag nadat de vreemdeling in vreemdelingenbewaring is gesteld met de overdracht van de vreemdeling is begonnen.
2.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Lange    w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2020
47-945.