ECLI:NL:RVS:2020:764
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing vreemdelingenbewaring na hoger beroep
De vreemdeling is bij besluit van 15 januari 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 27 januari 2020 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Hij klaagde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris geen inspanningsverplichting had geschonden. De Raad van State overwoog dat een schending van de inspanningsverplichting niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat nog een belangenafweging moet plaatsvinden.
In deze zaak was de belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris, aangezien de vreemdeling de gronden en motivering van de bewaring niet had betwist. Er was een significant risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken. Ook was van belang dat de inspanningsverplichting slechts twee weken bestond en dat de overdracht direct na plaatsing in bewaring was gestart.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.