Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 19 november 2022. De rechtbank beoordeelt dit beroep aan de hand van een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bepaalt dat de ingangsdatum moet worden bepaald op het moment dat de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens kenbaar maakt.
Partijen zijn het erover eens dat de juiste ingangsdatum 8 augustus 2022 is, en niet 19 november 2022 zoals in het bestreden besluit staat. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft, en stelt deze zelf vast op 8 augustus 2022.
Daarnaast kent de rechtbank aan eiser een proceskostenvergoeding toe van €907,-, omdat het geschilpunt niet als zeer licht van aard wordt beschouwd. De rechtbank wijst het verzoek van de minister af om een lagere wegingsfactor toe te passen. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier O. El Hihi en is op 11 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.