ECLI:NL:RBDHA:2025:10567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24604
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring en uitzetting

Verweerder is sinds 10 februari 2025 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft deze maatregel eerder rechtmatig bevonden in een uitspraak van 24 maart 2025. Het huidige beroep richt zich op de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring na het sluiten van het vorige onderzoek.

Eiser betoogt dat de voortgangsrapportage ondeugdelijk is, dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt dat de voortgangsrapportage voldoende inzicht biedt in de stappen richting uitzetting, waaronder rappelleren bij Algerijnse autoriteiten en vertrekgesprekken.

Daarnaast is vastgesteld dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer, onder meer door niet te verschijnen bij een geplande presentatie en het niet ondernemen van acties om identiteitsdocumenten te verkrijgen. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat de bewaring rechtmatig wordt voortgezet.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring en uitzetting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24604

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 10 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist in de uitspraak van 24 maart 2025 [1] .
Verweerder heeft op 30 mei 2025 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage en de verslagen van drie vertrekgesprekken overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 4 juni 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 maart 2025 (in de zaak NL25.11160) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 19 maart 2025) rechtmatig is.
Zijn de door verweerder verstrekte voortgangsgegevens ondeugdelijk?
2. Eiser betoogt allereerst dat de door verweerder verstrekte voortgangsgegevens ondeugdelijk zijn. Daartoe voert eiser aan dat de voortgangsrapportage onvoldoende inzicht biedt in de voortgang van zijn uitzetting, terwijl bekend is dat het voor Algerijnse vreemdelingen problematisch is om een laissez-passer (lp) te verkrijgen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de voortgangsrapportage van 26 mei 2025 voldoende inzicht gegeven in de voortgang van de uitzetting van eiser. In de rapportage is onder meer vermeld op welke data (voor het laatst op 21 mei 2025) verweerder bij de Algerijnse autoriteiten heeft gerappelleerd ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag en op welke momenten (voor het laatst op 22 mei 2025) vertrekgesprekken met eiser hebben plaatsgevonden. Tevens is aangegeven op welke datum verweerder de lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten heeft verzonden, dat het Openbaar Ministerie geen bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser en dat er een aanvullend identiteitsonderzoek heeft plaatsgevonden. Verder staat in de voortgangsrapportage dat op 6 maart 2025, om 13:30 uur, een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten was gepland, maar dat eiser niet is komen opdagen. Ook als het voor Algerijnse onderdanen lastig is om een lp te verkrijgen, ziet de rechtbank niet hoe uit de verstrekte voortgangsgegevens moet blijken dat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de voortgang van eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
4. Eiser betoogt daarnaast dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat verweerder tijdens de met hem gevoerde vertrekgesprekken herhaaldelijk heeft aangegeven dat de mogelijkheid bestaat dat eiser moet vertrekken, terwijl onduidelijk blijft of en wanneer eiser zal worden gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten en of zij een lp zullen afgeven.
5. De rechtbank merkt op dat deze beroepsgrond reeds aan de orde is geweest in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 24 maart 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 4. van deze uitspraak. De situatie is ongewijzigd en ook het tijdsverloop sinds de uitspraak van 24 maart 2025 is niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om anders over de beroepsgrond te oordelen. Daar komt bij dat eiser naar het oordeel van de rechtbank ook zelf onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 27 maart 2025 dat eiser niet in gesprek wilde met de DT&V. En ook uit verslagen van de vertrekgesprekken van 24 april 2025 en 22 mei blijkt dat eiser niets heeft ondernomen om alsnog aan identiteitsdocumenten te komen en niet naar Algerije maar naar Frankrijk wil vertrekken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting?
6. Eiser betoogt tot slot dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat hij inmiddels langer dan drie maanden in vreemdelingenbewaring verblijft, zonder dat hij tot op heden is gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten en evenmin bekend is wanneer dit zal gebeuren.
7. Uit de voortgangsrapportage van 26 mei 2025 blijkt dat verweerder sinds het sluiten van het vorige onderzoek vijf keer (voor het laatst op 21 mei 2025) heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag. Uit dezelfde voortgangsrapportage blijkt ook dat verweerder op 27 maart 2025, 24 april 2025 en 22 mei 2025 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Ook betrekt de rechtbank hierbij dat eiser zelf geen stappen onderneemt om zijn terugkeer naar Algerije te bespoedigen. Zo blijkt uit de voortgangsrapportage dat op 6 maart 2025 een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten stond gepland, maar dat eiser (zonder geldige reden) niet is komen opdagen. Dat eiser tot op heden niet is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan hemzelf te verwijten. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel. [2]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 24 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4870.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.