ECLI:NL:RBDHA:2025:10638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
18 juni 2025
Zaaknummer
NL25.19150
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbVerordening (EU) 604/2013Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Opposant, een Algerijnse asielzoeker, diende op 1 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank verklaarde op 12 mei 2025 het beroep van opposant tegen deze beslissing ongegrond. Opposant maakte hiertegen verzet geltend, stellende dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Kroatië niet langer geldt vanwege risico's op schending van mensenrechten, onder meer door pushbacks.

De rechtbank beoordeelde het verzet zonder zitting en concludeerde dat de aangevoerde argumenten onvoldoende zijn om redelijke twijfel aan het eerdere oordeel te rechtvaardigen. De rechtbank volgde de Afdeling bestuursrechtspraak die recentelijk oordeelde dat het risico op een met het Handvest en EVRM strijdige behandeling in Kroatië niet reëel is.

De rechtbank handhaafde het eerdere oordeel dat de minister terecht Kroatië als verantwoordelijke lidstaat aanmerkt en verklaarde het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet in behandeling neming van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het eerdere vonnis blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19150 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

In de uitspraak van 12 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard. [1]
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Opposant stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 1 maart 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft bij besluit van 24 april 2025 deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. [2]
2. In de uitspraak van 12 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Dit artikel biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat.
3. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Hij voert aan dat er voldoende stukken zijn aangeleverd waaruit blijkt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Kroatië. Er is veel ruimte om te twijfelen aan dit vertrouwen. De enkele verwijzing naar de Afdelingsuitspraak is een te snelle en beperkte invulling van de beoordeling die de rechtbank behoort te doen. Daarbij verwijst hij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 21 oktober 2024 waarin het beroep gegrond is verklaard. [3] Hieruit volgt volgens opposant dat het onderscheid tussen vreemdelingen ten aanzien van pushbacks, dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) meent dat er gemaakt wordt, niet volgt uit de onderliggende AIDA-rapporten en het vonnis van het Verwaltungsgericht Braunschweig.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
5. Eiser heeft in beroep de mogelijkheid gehad om landeninformatie aan de rechtbank voor te leggen. Eiser heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De overgelegde landeninformatie is door de rechtbank betrokken in haar overwegingen. In het verzetschrift gaat opposant dan ook in op rechtsoverweging zes van de uitspraak van de rechtbank.
6. Het uitgangspunt is nog steeds dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, hetgeen bevestigd is in een richtinggevende uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024. Het is in beroep dan ook aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest [4] en artikel 3 van Pro het EVRM [5] strijdige behandeling.
7. Opposant heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 21 oktober 2024. Deze uitspraak ziet in de eerste plaats op de beoordeling van een maatregel van bewaring en niet op overdracht in het kader van de Dublinverordening. Bovendien is de uitspraak van het Verwaltungsgericht Braunschweig in hoger beroep vernietigd door het Oberverwaltungsgericht Niedersachsen. De Afdeling heeft laatstgenoemde uitspraak in haar uitspraak van 9 oktober 2024 betrokken. In de voornoemde Afdelingsuitspraak is tevens overwogen dat de mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer worden van pusbacks weliswaar (theoretisch) bestaat maar dat daarmee geen sprake is van een reëel risico daarop.
8. In feite komt eiser in verzet op tegen deze risico-inschatting, maar de rechtbank volgt de Afdeling in haar oordeel op dit punt. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dat oordeel sindsdien in alle zaken gevolgd waar verweerder voornemens is een vreemdeling over te dragen aan Kroatië. Als het beroep van opposant op een zitting was behandeld, was de uitkomst hetzelfde geweest.
9. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb zonder een zitting heeft mogen afdoen. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 12 mei 2025 blijft in stand.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Verordening (EU) 604/2013.
3.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBOVE:2024:5401.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.