De minister legde op 4 april 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, die hiertegen op 30 mei 2025 beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De maatregel werd op 12 juni 2025 opgeheven nadat eiser met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vertrok.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of schadevergoeding toekomt. Eerder was vastgesteld dat de maatregel tot 18 april 2025 rechtmatig was. Eiser voerde aan dat de voortzetting onrechtmatig was vanwege het ontbreken van schriftelijke bevestiging van een laissez-passer (lp) door de Algerijnse autoriteiten en het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat de mondelinge toezegging van de lp betrouwbaar is en dat de identiteit en nationaliteit van eiser al bevestigd waren. Ook was er voldoende voortvarendheid van de minister, met meerdere rappelleringen en vertrekgesprekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.