ECLI:NL:RBDHA:2025:10693

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24356
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister legde op 4 april 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, die hiertegen op 30 mei 2025 beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De maatregel werd op 12 juni 2025 opgeheven nadat eiser met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vertrok.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of schadevergoeding toekomt. Eerder was vastgesteld dat de maatregel tot 18 april 2025 rechtmatig was. Eiser voerde aan dat de voortzetting onrechtmatig was vanwege het ontbreken van schriftelijke bevestiging van een laissez-passer (lp) door de Algerijnse autoriteiten en het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat de mondelinge toezegging van de lp betrouwbaar is en dat de identiteit en nationaliteit van eiser al bevestigd waren. Ook was er voldoende voortvarendheid van de minister, met meerdere rappelleringen en vertrekgesprekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24356

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 4 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft op 30 mei 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De minister heeft op 12 juni 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser met behulp van IOM [2] is vertrokken.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. [3]
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 april 2025 [4] (in de zaak NL25.16136) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 18 april 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
Standpunt eiser
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is en dat redelijk vooruitzicht op uitzetting ontbreekt. Hiertoe voert eiser aan dat de Algerijnse autoriteiten, na een lp [5] -traject van 2,5 jaar, nu eindelijk akkoord zouden zijn met het afgeven van een lp. Dit is nergens schriftelijk onderbouwd en kan dus niet worden geverifieerd. Eiser betwist de mondelinge lp-toezegging vanwege de lange duur van het proces, maar ook omdat er in de afgelopen jaren telkens geen presentaties in persoon zijn geweest. Uit de procedure onder zaaknummer NL25.24520 [6] blijkt dat aan de Algerijnse autoriteiten op
19 juni 2025 strafrechtelijke informatie wordt verstrekt, althans dat is het plan van de DT&V. [7] Dit is volgens eiser een onzekere gebeurtenis, nu wordt betwist dat dit juridisch en op grond van artikel 3 EVRM Pro [8] mogelijk is. Nu het verstrekken van de informatie is voorgehouden als een conditio sine qua non, is het onvoldoende om eiser hiervoor nog langer vast te houden. Er blijkt verder ook nergens dat de Algerijnse autoriteiten na deze verstrekking daadwerkelijk zullen overgaan tot de afgifte van een lp. Ook is volgens eiser niet gebleken dat inmiddels ook zijn geboortedatum- en plaats zijn bevestigd. Van een vlucht of vluchtaanvraag is bovendien niet gebleken. De datum van 19 juni 2025 ligt daarbij ver in de toekomst. Daarnaast voert eiser aan dat het voortduren van de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en dat de maatregel niet langer proportioneel is, zodat aan eiser alsnog een lichter middel dient te worden gegund. Daarbij is van belang dat eiser herhaaldelijk en kennelijk tevergeefs heeft aangegeven met het IOM te willen vertrekken.
Oordeel rechtbank
5. De beroepsgronden slagen niet. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen reden om te twijfelen aan de mondelinge lp-toezegging door de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft niet onderbouwd dat de lp-toezegging onbetrouwbaar is of schriftelijk dient te gebeuren. De rechtbank ziet dan ook anderszins geen reden voor het oordeel dat de Algerijnse autoriteiten zonder schriftelijke bevestiging van de toezegging geen lp zullen afgeven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de identiteit en Algerijnse nationaliteit van eiser al eerder zijn bevestigd door de Algerijnse autoriteiten. Ook is niet gebleken dat de lp-toezegging zal worden ingetrokken, zodra de strafrechtelijke gegevens van eiser worden gedeeld met de Algerijnse autoriteiten.
5.1.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiser heeft aangegeven via het IOM te willen vertrekken is, gelet op zijn eerdere weigerachtige houding om medewerking te verlenen aan zijn vertrek naar Algerije, daartoe onvoldoende.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister tot aan het moment van opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 1 mei 2025 en 21 mei 2025 heeft de minister schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, waarna de autoriteiten op 23 mei 2025 een lp hebben toegezegd. Daarnaast heeft de minister sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure driemaal een vertrekgesprek met eiser gevoerd, laatstelijk op 28 mei 2025. Ook bestond er in het algemeen zicht op uitzetting en is niet gebleken dat ten aanzien van eiser persoonlijk zicht op uitzetting ontbrak. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser op 12 juni 2025 via het IOM is vertrokken.
6. Er zijn geen andere omstandigheden gebleken die maken dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Internationale Organisatie voor Migratie.
3.Op grond van artikel 106 van Pro de Vw.
4.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 25 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7021.
5.Laissez-passer.
6.Voorlopige voorziening tot schorsing van het besluit om strafrechtelijke informatie te verstrekken aan Algerije.
7.Dienst Terugkeer en Vertrek.
8.Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.