ECLI:NL:RBDHA:2025:10722

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
NL25.7420
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 29 VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag mvv nareis asiel meerderjarige zoon buiten jongvolwassenenbeleid

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf van zijn meerderjarige zoon in het kader van nareis asiel. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat de zoon niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, met name omdat er geen feitelijke gezinsband bestaat. De zoon woont sinds zijn jonge leeftijd bij zijn moeder en studeert zelfstandig op kamers.

Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat de minister onvoldoende rekening hield met de individuele omstandigheden, waaronder de vlucht van eiser en de wens tot gezinshereniging. Hij stelde dat de zoon niet vrijwillig niet bij hem woonde en dat het beleid voor minderjarige uitwonende studerende kinderen analoog toegepast zou moeten worden.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen feitelijke gezinsband bestaat op het moment van inreis van de referent, zoals vereist in de Vreemdelingenwet en het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank volgt de minister in de uitleg van relevante jurisprudentie en wijst het beroep af. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag voor de meerderjarige zoon wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7420

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer] eiser

(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een mvv [1]
voor verblijf van zijn zoon, [naam], in het kader van nareis asiel. Eiser is het
niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor zijn zoon. Hij heeft daarom beroep
ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich op het
standpunt mocht stellen dat de zoon niet onder het jongvolwassenenbeleid valt en daarom
geen mvv krijgt. Eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de
rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft, als referent, ten behoeve van zijn zoon een aanvraag ingediend voor
een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis asiel. De minister
heeft deze aanvraag in het besluit van 24 juli 2023 (het primaire besluit) afgewezen.
2.1.
Namens eiser en zijn zoon is bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De
minister heeft op 2 december 2024 een hoorzitting gehouden. Daaraan hebben eiser en zijn
gemachtigde deelgenomen.
2.2.
In het bestreden besluit van 17 januari 2025 is de minister bij de afwijzing van de
aanvraag gebleven. Volgens de minister is tussen eiser en zijn zoon geen sprake van een
feitelijke gezinsband. De zoon heeft sinds de echtscheiding van zijn ouders, toen hij een half
jaar oud was, bij zijn moeder gewoond. Inmiddels studeert hij en woont hij zelfstandig op
kamers. De zoon voldoet daarom niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid.
Zijn situatie komt volgens de minister niet direct voort uit de vlucht van zijn vader. Daarom
beoordeelt de minister niet of de zoon zich moeiteloos en zelfstandig kon handhaven.
Volgens de minister is er verder geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van
artikel 8 van Pro het EVRM, [2] omdat tussen eiser en zijn zoon geen sprake is van bijkomende
elementen van afhankelijkheid.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de
minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet heeft bestreden dat tussen zijn zoon
en hem geen sprake is van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Partijen
verschillen van mening over de vraag of de zoon voldoet aan de voorwaarden van het
jongvolwassenenbeleid in nareiszaken.
Valt de zoon onder het jongvolwassenenbeleid?
4. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte geen op het
individuele geval toegespitste beoordeling heeft gemaakt waarbij hij alle relevante feiten en
omstandigheden heeft betrokken. Eiser wijst op uitspraken van de Afdeling [3] van 29 mei
2024 [4] en 20 november 2024. [5] Verder volgt volgens eiser uit het arrest XC, [6] dat bij de
beoordeling of sprake is van werkelijk gezinsleven moet worden vastgesteld of sprake is van
een gezinsband of van de wil om een gezinsband te creëren. Deze wil is bij eiser en zijn
zoon aanwezig. De minister heeft volgens eiser miskend dat zijn zoon na de scheiding van
zijn ouders er niet vrijwillig voor heeft gekozen om niet bij zijn vader te wonen. Eiser heeft
er alles aan gedaan om altijd zoveel mogelijk contact met zijn zoon te houden. Verder
betekent het enkele feit dat de zoon op kamers is gaan wonen volgens eiser niet zonder meer
dat de gezinsband is verbroken. De zoon gaat namelijk elk weekend naar zijn moeder of
oma en kan niet als zelfstandig worden gezien, omdat hij niet zelf kookt en wast. De
minister miskent bovendien dat eiser geen vrije keuze had in waar hij ging studeren en dat
hij na zijn plaatsing in Izmir vanwege de reisafstand noodgedwongen op de campus moest
gaan wonen. Eiser vindt dat het beleid voor in Nederland wonende uitwonende studerende
minderjarige kinderen analoog op de situatie van zijn zoon moet worden toegepast. Eiser
verwijst naar een mondelinge toezegging die de minister hierover zou hebben gedaan aan
Vluchtelingenwerk Nederland en naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats
Middelburg, van 10 mei 2022 [7] en zittingsplaats Utrecht, van 5 oktober 2021 [8] . Verder vindt
eiser dat zijn vlucht wel degelijk relevant is voor de beoordeling. Eiser woonde voor zijn
vlucht in Ankara en zijn zoon had in Ankara kunnen gaan studeren of eiser had met zijn
zoon naar Izmir kunnen verhuizen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 29, tweede lid, van de Vw [9] volgt dat
de minister een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan verlenen aan de gezinsleden
die op het tijdstip van binnenkomst van een referent behoorden tot diens gezin. Dit betekent
dat de minister de nareisaanvraag mag afwijzen als er op het moment van de inreis van de
referent geen feitelijke gezinsband is tussen de vreemdeling en de referent. [10]
5.1.
Op grond van het jongvolwassenenbeleid, zoals neergelegd in in paragraaf
B7/3.8.1 van de Vc 2000, [11] neemt de minister uitsluitend aan dat er sprake is van familie- engezinsleven tussen het meerderjarig kind en diens ouder(-s), zonder dat er sprake hoeft te
zijn van bijkomende elementen van afhankelijk, als het meerderjarig kind:
a. jongvolwassen is;
b. met zijn ouders in gezinsverband samenleeft;
c. niet in zijn eigen onderhoud voorziet, en
d. geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
Als het meerderjarige kind niet voldoet aan een of meer van deze vereisten, valt het niet
onder het jongvolwassenenbeleid.
5.2.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 mei 2024 [12] geoordeeld dat
het jongvolwassenenbeleid niet in strijd is met enige rechtsregel en niet onredelijk is. Over
het vereiste ‘niet in zijn eigen onderhoud voorzien’ oordeelt de Afdeling dat de minister alle
individuele omstandigheden betrekt in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van
de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). De
minister dient daar kenbaar bij te betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en
reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde
omstandigheid is. Dit type omstandigheden kan namelijk ook informatie geven over de
vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s).
De minister moet deze beoordeling maken aan de hand van feiten en omstandigheden die
zich op het moment van de inreis van een referent voordoen. De minister mag de
nareisaanvraag voor een meerderjarig kind afwijzen als er op het moment van de inreis van
de referent geen feitelijke gezinsband bestaat, ongeacht de vraag of de gezinsband mogelijk
na de inreis wordt hersteld.
5.2
Uit het arrest XC volgt dat de minister niet mag oordelen dat herstel van een
verbroken feitelijke gezinsband nooit mogelijk is. Als de minister constateert dat de
feitelijke gezinsband voorafgaand aan de inreis van een referent is verbroken, moet hij
beoordelen of de vreemdeling en de referent de feitelijke gezinsband op het moment van de
inreis van de referent hebben hersteld. Verder moet de minister er rekening mee houden als
een vluchtsituatie aan de orde is. Een vluchtsituatie kan er in een individueel geval toe
leiden dat een vreemdeling niet aan alle vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet,
bijvoorbeeld doordat een referent door de vlucht uit het land van herkomst niet meer met de
vreemdeling in gezinsverband samenleeft. De minister werpt omstandigheden die uit nood
zijn ontstaan en die een meerderjarig kind dwingen zelfstandiger te worden niet zonder meer
tegen.
6. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister
zich op het standpunt kunnen stellen dat de zoon niet voldoet aan de voorwaarden van het
jongvolwassenenbeleid, omdat tussen hem en eiser geen feitelijke gezinsband bestaat. De
minister heeft in de beoordeling in overeenstemming met de rechtspraak van de Afdeling
alle relevante feiten en omstandigheden betrokken.
6.1.
De minister heeft kunnen overwegen dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn zoon
in gezinsverband met hem heeft samengeleefd. De zoon heeft sinds hij een half jaar oud is,
na de scheiding van zijn ouders, altijd bij zijn moeder gewoond. Sinds 2019 woont de zoon
zelfstandig op de campus in Izmir, waar hij studeert. Dat eiser stelt dat zijn zoon niet zelf
kookt en wast en dat hij elk weekend naar zijn moeder of oma gaat, maakt niet dat de zoon
feitelijk tot het gezin van eiser behoort.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van de verwijzing van eiser naar het
arrest XC en van de stelling dat hij en zijn zoon de wens hebben om de familieband te
herstellen niet tot een ander oordeel hoefde te komen.
6.2.1.
Daarbij is van belang dat volgens het arrest van het Hof [13] , zoals uitgelegd door de
Afdeling in haar uitspraak van 20 november 2024 [14] , voor het bestaan van een werkelijk
gezinsleven moet worden vastgesteld of er daadwerkelijk sprake is van een gezinsband of
van de wil om een dergelijke band te creëren of te behouden. Zo kan het feit dat de
betrokkenen voornemens zijn om elkaar, voor zover mogelijk, af en toe te bezoeken, en om
regelmatige contacten van welke aard ook te onderhouden, met name gelet op de feitelijke
omstandigheden die de situatie van de betrokkenen kenmerken, waaronder de leeftijd van
het kind, volstaan om aan te nemen dat zij persoonlijke en affectieve betrekkingen aan het
herstellen zijn en om aannemelijk te maken dat sprake is van werkelijk gezinsleven. Uit het
arrest XC volgt dat de minister, bij de beoordeling of er een feitelijke gezinsband is, alle
relevante feiten en omstandigheden in het individuele geval moet betrekken en een op het
geval toegespitste beoordeling moet maken. De minister mag deze individuele beoordeling
maken aan de hand van de feiten en omstandigheden die zich op het moment van de inreis
van een referent voordoen.
6.2.2.
Omdat in artikel 29, tweede lid, van de Vw de mogelijkheid van nareis is beperkt
tot gezinsleden die op het tijdstip van inreis behoren tot het gezin, stelt de minister zich
terecht op het standpunt dat hij de nareisaanvraag voor een meerderjarig kind en zijn
ouder(s) mag afwijzen wanneer op het moment van de inreis van de ouder geen sprake is
van een familieband, ongeacht of deze band mogelijk na inreis wordt hersteld. De gestelde
wil van eiser en referent om een gezinsband te creëren, maakt ook niet dat op het
peilmoment, namelijk het moment van inreis van eiser als referent, sprake was van een
feitelijke gezinsband. De vraag of de band zou kunnen worden hersteld is niet aan de orde,
nu de zoon op het moment van de inreis van eiser al meerderjarig was. Dit in tegenstelling
tot de vreemdeling in de zaak die tot het arrest XC heeft geleid. Bovendien woonde eiser op
dat moment ook al op de campus.
6.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de minister ten onrechte niet bij
de beoordeling heeft betrokken dat het wonen op de campus een direct gevolg is van de
asielrechtelijke problemen en de vlucht van eiser. De zoon woonde ook voor de vlucht van
eiser niet in gezinsverband met hem samen. De vraag of de gezinsband hersteld had kunnen
worden voordat eiser inreisde als hij niet had behoeven te vluchten, is een hypothetische
situatie die niet kan leiden tot een ander oordeel. De minister heef terecht getoetst aan de
feitelijke situatie en niet aan de door eiser geschetste hypothetische scenario’s. Naar het
oordeel van de rechtbank heeft de minister daarbij kunnen overwegen dat de zoon vrijwillig
de keuze heeft gemaakt om te gaan studeren en daarmee geaccepteerd dat dit betekent dat
hij ergens anders zal gaan wonen. Deze keuze past in de ontwikkeling die de zoon
doormaakt en de stappen naar zelfstandigheid die hij heeft gezet. Er is geen sprake van een
scheiding op basis van omstandigheden die uit nood zijn ontstaan. De scheiding van eiser en
zijn vrouw heeft de minister niet ten onrechte niet als een dusdanige omstandigheid
aangemerkt.
6.4.
Ook eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats
Middelburg, leidt niet tot een ander oordeel. In tegenstelling tot de vreemdelingen in die
uitspraak woont de zoon niet noodgedwongen en onder begeleiding van de Gülenbeweging
in een studentenhuis en gaat hij niet elk weekend naar eiser. Bovendien werden de
betreffende vreemdelingen financieel ondersteund door hun referent, wat in de situatie van
eiser en zijn zoon ook niet zo is.
6.5.
De rechtbank volgt de stelling dat het beleid voor minderjarige uitwonende
studerende kinderen analoog moet worden toegepast niet. Dit beleid [15] ziet op minderjarige
kinderen die in Nederland uitwonend zijn vanwege hun studie. Daarvan is hier geen sprake.
Nu sprake is van verschillend beleid voor verschillende situaties valt niet in te zien waarom
dit beleid analoog toegepast zou moeten worden. De verwijzing van eiser naar de
toezegging van Vluchtelingenwerk Nederland hierover leidt evenmin tot een ander oordeel.
Eiser heeft deze toezegging niet concreet gemaakt of onderbouwd. Bovendien is niet
gebleken dat de toezegging daadwerkelijk ziet op eisers situatie. Het beroep op de uitspraak
van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Deze
uitspraak is bovendien in hoger beroep vernietigd, waarbij de Afdeling heeft geoordeeld dat
de minister het beleid terecht niet analoog heeft toegepast. [16]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 1 augustus 2022, ECLI:EU:C:2022:618.
9.Vreemdelingenwet 2000.
10.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631, r.o. 5.1.
11.Vreemdelingencirculaire 2000.
12.Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146 en van 20
13.Zie het arrest XC, de punten 63 tot en met 67.
14.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:4631.
15.Zie paragraaf B7/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
16.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3435.