ECLI:NL:RVS:2022:3435

Raad van State

Datum uitspraak
25 november 2022
Publicatiedatum
24 november 2022
Zaaknummer
202106825/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000paragraaf B7/3.2.1 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor uitwonende minderjarige student

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 juni 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 29 maart 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de vreemdeling sinds 2015 zelfstandig woont en dat zijn situatie wezenlijk verschilt van die van uitwonende minderjarige studenten zoals bedoeld in het vreemdelingenbeleid. Daarom was het beleid niet analoog toepasbaar.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand blijft.

Uitspraak

202106825/1/V1.
Datum uitspraak: 25 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 5 oktober 2021 in zaak nr. NL21.5481 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 29 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de vreemdeling sinds 2015 zelfstandig woont en dat zijn situatie zodanig verschilt van de situatie bedoeld in paragraaf B7/3.2.1 van de Vc 2000 over uitwonende minderjarige studenten, dat de staatssecretaris dat beleid terecht niet analoog heeft toegepast.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2022
488-1028