ECLI:NL:RVS:2022:3435
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor uitwonende minderjarige student
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 juni 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 29 maart 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de vreemdeling sinds 2015 zelfstandig woont en dat zijn situatie wezenlijk verschilt van die van uitwonende minderjarige studenten zoals bedoeld in het vreemdelingenbeleid. Daarom was het beleid niet analoog toepasbaar.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand blijft.