ECLI:NL:RBDHA:2025:10741
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Minister moet eisers horen bij bezwaar tegen afwijzing verblijfsaanvraag
Eisers, de zoons van een referent, hebben een aanvraag ingediend om in Nederland bij hem te verblijven. De minister heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste, het ontbreken van een ondertekende antecedentenverklaring en een onvolledige toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder. Eisers maakten bezwaar, maar de minister heeft hen niet gehoord over dit bezwaar en handhaafde het besluit.
De rechtbank stelt vast dat de minister ten onrechte heeft afgezien van de hoorplicht op grond van artikel 7:3 Awb Pro. De minister had eisers moeten horen, omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en er onduidelijkheden en relevante informatie waren die tijdens een hoorzitting besproken hadden kunnen worden. Zo was het inkomen van de referent net onder het normbedrag en was onduidelijkheid over de status van een uitkering.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen vier weken een hoorzitting te houden en binnen vier weken daarna een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op eisers te horen en opnieuw te beslissen.