ECLI:NL:RBDHA:2025:1077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
NL25.1888 en 25.2469
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring en aanvullend terugkeerbesluit

De minister heeft aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd wegens risico op het ontduiken van toezicht en het belemmeren van de terugkeerprocedure. Tevens is een aanvullend terugkeerbesluit genomen waarin Algerije als land van terugkeer is vermeld.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen beide besluiten en voerde onder meer aan dat het aanvullend terugkeerbesluit te laat was genomen en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende zijn en dat de minister terecht volstond met een aanvullend terugkeerbesluit, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ook is geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom een zwaardere maatregel noodzakelijk was. De ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel. De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: De beroepen tegen de maatregel van bewaring en het aanvullend terugkeerbesluit worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.1888 en NL25.2469

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
de Minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 januari 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. De minister heeft op 17 januari 2025 aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 januari 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, als ook de motivering daarvan, niet bestreden. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Uit de gronden volgt dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Kan de minister volstaan met een aanvullend terugkeerbesluit?
3. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 30 maart 2023 in rechte vast is komen te staan. Daarin is vastgesteld dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat dit besluit als terugkeerbesluit geldt. Dit besluit is met het aanvullend terugkeerbesluit van 17 januari 2025 aangevuld, door Algerije als land van terugkeer te vermelden.
3.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het aanvullend terugkeerbesluit te laat is genomen, omdat de minister al eerder had kunnen weten dat Algerije in het terugkeerbesluit had moeten staan als land waarnaar eiser diende terug te keren. Op 25 juli 2023 is voor eiser namelijk al een laissez-passer (lp)-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten doorgezet. Volgens eiser had de minister een volledig nieuw terugkeerbesluit moeten nemen.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen volstaan met een aanvullend terugkeerbesluit. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 september 2023. [2] De minister heeft aangegeven dat er op dit moment sterkere aanwijzingen zijn dat eiser uit Algerije afkomstig is, en heeft daarom het terugkeerbesluit op dit punt mogen aanvullen. De minister hoeft niet opnieuw vast te stellen dat het verblijf van eiser onrechtmatig is en dat hem een terugkeerverplichting wordt opgelegd, omdat dit al in het eerdere terugkeerbesluit is opgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat er te weinig aandacht is besteed aan het feit dat hij sinds 17-jarige leeftijd door Europa zwerft en dat hij een vriendin en kind in België heeft.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over de maatregel van bewaring gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over het aanvullend terugkeerbesluit gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van de bekendmaking.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.ABRvS 25 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3564.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.