ECLI:NL:RBDHA:2025:10823

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 mei 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
NL24.12326
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 VreemdelingenwetBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Correctie ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na prejudiciële uitspraak

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van de minister waarin een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd verleend met ingang van 17 september 2022. Zij waren het niet eens met deze ingangsdatum en stelden dat deze onjuist was vastgesteld.

De rechtbank heeft de beroepen aanvankelijk aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn beantwoord. De ABRvS oordeelde dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepaald wordt door het moment waarop de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens kenbaar maakt aan de autoriteiten.

Naar aanleiding van deze uitspraak is vastgesteld dat de juiste ingangsdatum 8 september 2022 is. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten voor zover de ingangsdatum op 17 september 2022 is gesteld en stelt de ingangsdatum zelf vast op 8 september 2022.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eisers, vastgesteld op € 907,-, omdat het geschilpunt niet licht van aard is en er samenhangende zaken zijn met nagenoeg identieke werkzaamheden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 8 september 2022 en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.12324, NL24.12325 en NL24.12326
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] ,V-nummer: [V nummer 1] , eiser
[eiser 2] ,V-nummer: [V nummer 2] , eiser
[eiseres], V-nummer: [V nummer 3] , eiseres Tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. W. Volkers), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: K. Kanters).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de besluiten van 21 februari 2024 (de bestreden besluiten). In de bestreden besluiten heeft de minister aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van
17 september 2022.
1.2.
Eisers zijn het niet eens met de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen aangehouden in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen gesteld bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 oktober 2023.1
1.4.
In de uitspraak van 20 januari 20252 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet zo moet worden uitgelegd dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt bepaald door het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar maakt.
1.5.
Partijen hebben een standpunt ingenomen over de gevolgen van laatstgenoemde uitspraak voor de zaken van eisers en hebben toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen op de beroepen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de minister in de bestreden besluit de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte heeft vastgesteld op 17 september 2022. Partijen zijn het erover eens dat de juiste ingangsdatum 8 september 2022 is.

Conclusie en gevolgen

3. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is vastgesteld op 17 september 2022. De rechtbank ziet aanleiding om – zoals partijen hebben verzocht – zelf in de zaken te voorzien en de ingangsdatum vast te stellen op 8 september 2022.
4. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken.3 De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden in elke zaak zijn nagenoeg identiek. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen reden om wegingsfactor 0,25 toe te passen, zoals de minister heeft verzocht. De rechtbank acht het geschilpunt namelijk niet zeer licht van aard. Dit blijkt alleen al uit de omstandigheid dat hierover prejudiciële vragen zijn gesteld.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 17 september 2022;
  • stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd vast op 8 september 2022;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eisers.
3 Als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman - Meijer, griffier.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.