ECLI:NL:RBDHA:2025:10844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24909
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag heeft op 20 juni 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a, b en c van de Vreemdelingenwet. Eiser betwistte alle gronden en stelde beroep in tegen het besluit.

De rechtbank behandelde het beroep op 13 juni 2025 via telehoren en stelde vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet had aangevochten. De minister had de bewaring gemotiveerd gebaseerd op het ontbreken van zekerheid over identiteit, risico op onttrekking aan toezicht en eerdere terugkeerbesluiten die niet waren nageleefd.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden (zoals het ontbreken van reisdocumenten bij binnenkomst, het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van vertrekplicht) feitelijk juist waren en dat ook de lichte gronden meespelen. Een lichter middel was niet toereikend om uitzetting te waarborgen. De medische omstandigheden van eiser waren voldoende betrokken en maakten de maatregel niet onevenredig.

De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor bewaring. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24909

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Egyptische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. Bij besluit van 3 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam en heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door mr. L.J. Meijering, die waarnam voor zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond), b (b-grond) en c (c-grond), van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Daarnaast heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
2.2.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.3.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser, omdat hij niet in bezit is van identiteitsdocumenten. Dit is door eiser niet betwist. Dat de minister in de asielprocedure is uitgegaan van de identiteit en nationaliteit van eiser, betekent niet dat deze gegevens ook vaststaan.
4.1.
Daarnaast heeft de minister de maatregel eveneens op de b-grond van artikel 59b van de Vw kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. [4] Ook dit is door eiser niet betwist.
4.2.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat ook artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw (c-grond) terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser werd al voor het opleggen van de huidige maatregel in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn en heeft ook al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure gehad. Eiser heeft op 4 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend, maar is tijdens de asielprocedure met onbekende bestemming vertrokken.
Op 6 mei 2025 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend, maar heeft hij deze op
19 mei 2025 ingetrokken. Eiser zat vanaf dat moment in vreemdelingenbewaring met het doel om uitgezet te worden naar zijn land van herkomst, maar heeft nogmaals een asielaanvraag ingediend. Dit is door eiser ook niet betwist.
Gronden
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a, 3b. 3c en 3d en de onbetwiste lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 [5] volgt dat, om de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser in 2024 bij binnenkomst in Nederland niet in het bezit was van een reisdocument of een inreisstempel van het Schengengebied. Dat eiser op 6 mei 2025 vanuit Zwitserland op grond van de Dublinverordening aan Nederland is overgedragen en hij vervolgens een asielaanvraag heeft ingediend, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser na binnenkomst in Nederland geen melding heeft gemaakt van zijn illegaal verblijf. Daarnaast is eiser op
15 oktober 2024 met onbekende bestemming vertrokken. De grond 3c is ook feitelijk juist, omdat eiser op 13 april 2025 een meeromvattend besluit heeft ontvangen, dat ook een terugkeerbesluit bevatte en hij hieraan geen gevolg heeft gegeven. De stelling van eiser dat hij wegens zijn problemen niet kon terugkeren naar het land van herkomst en ook niet de middelen had om zelfstandig terug te keren, doet aan de feitelijke juistheid van de grond 3c niet af. Ook de grond 3d is feitelijk juist, omdat eiser geen enkel document heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit.
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is en die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarend handelen
7. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. [6] De rechtbank stelt vast dat op 10 juni 2025 een aanvullend gehoor met eiser heeft plaatsgevonden en dat wordt gewerkt aan het voornemen.
Zicht op uitzetting
8. Tot slot stelt de rechtbank vast de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 [7] heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Afdelingsuitspraak van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.
5.Afdelingsuitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
6.Afdelingsuitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.