ECLI:NL:RVS:2021:1156
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.J. Borman
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling wegens onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 21 januari 2021 in bewaring met het oog op het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld omdat de vreemdeling binnen achttien dagen na inbewaringstelling nog niet was gehoord, en beval opheffing van de bewaring en toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de termijn van zes weken in artikel 59b, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 als maximale termijn moet worden gezien waarbinnen voldoende voortvarend moet worden gehandeld. De rechtbank had echter ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was, omdat deze pas vanaf het moment van inbewaringstelling verplicht is tot voortvarend handelen. Het eerdere asielverzoek en de overdracht op grond van de Dublinverordening konden hieraan geen zelfstandige betekenis worden toegekend.
De Afdeling stelde vast dat het niet redelijk is te verwachten dat de staatssecretaris al vóór de inbewaringstelling een asielgehoor inplant of de overdracht uitstelt vanwege capaciteitsproblemen. Bovendien was het gehoor twee dagen na de zitting gepland. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep alsnog ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.