ECLI:NL:RBDHA:2025:10870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
NL25.23913
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 EVRMBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens termijnoverschrijding en toekenning schadevergoeding

Eiser, met de Libische nationaliteit, is sinds 13 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel tot 11 april 2025 rechtmatig was, maar dat het voortduren daarna onrechtmatig is vanwege overschrijding van de wettelijke termijnen voor onderzoek en uitspraak. De rechtbank had uiterlijk 10 juni 2025 uitspraak moeten doen, maar deed dit pas op 20 juni 2025, waardoor de beoordeling niet spoedig genoeg plaatsvond zoals vereist door artikel 5, vierde lid, EVRM.

De rechtbank oordeelt dat de bewaring vanaf 11 juni 2025 onrechtmatig is en beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van de datum van uitspraak. Tevens kent zij een schadevergoeding toe van €1.000 voor tien dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt de Staat in de proceskosten van €907. Het beroep wordt gegrond verklaard en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de maatregel van bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding van €1.000 wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23913

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 20 juni 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stel te zijn geboren op [datum] 1983 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 11 april 2025, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt in beroep dat uit het verslag van het vertrekgesprek van 18 mei 2025 niet blijkt in welke taal met eiser is gesproken en of gebruik is gemaakt van een tolk. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage niet duidelijk of een presentatie heeft plaatsgevonden. Dit zou op 1 mei 2025 gebeurd zijn. Tijdens het vertrekgesprek op 8 mei 2025 is aangegeven dat de Libische autoriteiten zijn nationaliteit niet hebben vastgesteld. Eiser ontvangt graag een afschrift van de presentatie en stelt dat niet kan worden geconcludeerd dat eiser de Libische nationaliteit niet zou hebben. Het rappel aan de Libische autoriteiten van 1 mei 2025 eiser niet plaatsen. Ook volgt uit het vertrekgesprek van 18 mei 2025 dat een taalanalyse heeft plaatsgevonden, maar het rapport hiervan ontbreekt. De verslaglegging van het gesprek komt gekleurd en niet feitelijk over. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat er op 7 mei 2025 een nieuw terugkeerbesluit is genomen, maar dit ontbreekt ook in het dossier. Eiser wijst erop dat verweerder zorg dient te dragen voor een volledige informatievoorziening. Ook draagt de lp [3] -aanvraag niet bij aan het vooruitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser meent daarom dat verweerder sinds 1 mei 2025 onvoldoende voortvarend handelt. Verder is het eerder opgelegde terugkeerbesluit onrechtmatig sinds 1 mei 2025, nu verweerder ervan uit lijkt te gaan dat eiser niet de Libische nationaliteit heeft. Daarom is er sinds die datum geen grondslag meer voor de bewaring. Pas op 7 mei 2025 is een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd, dus heeft hij een week onrechtmatig in bewaring verbleven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Ambtshalve wordt het volgende opgemerkt. Het beroepschrift is ontvangen op 27 mei 2025. Volgens artikel 96, eerste lid, van de Vw sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank het vooronderzoek uiterlijk 3 juni 2025 had moeten sluiten. De rechtbank heeft het vooronderzoek echter pas op 20 juni 2025 gesloten.
6. Op grond van artikel 96, tweede lid, van de Vw doet de rechtbank mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. Deze termijn kan niet worden verlengd. Gelet op het bovenstaande had de rechtbank dus uiterlijk 10 juni 2025 uitspraak moeten doen. Zij doet echter pas uitspraak op 20 juni 2025.
7. Het overschrijden van de termijn leidt niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring. Er moet worden beoordeeld of is voldaan aan het vereiste van een spoedige beoordeling door een rechter als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM. [4] [5]
8. Vastgesteld wordt dat er tussen de ontvangst van het beroepschrift en het doen van de uitspraak een periode van 25 dagen zit. Daarnaast wordt meegewogen dat er geen zitting heeft plaatsgevonden, dat de zaak zowel qua aard als complexiteit relatief overzichtelijk is en dat de termijnoverschrijdingen geheel aan de rechtbank zijn te wijten. Er is daarom geen sprake geweest van een spoedige beoordeling in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Dit betekent dat het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf 11 juni 2025 onrechtmatig is, nu de rechtbank uiterlijk op 10 juni 2025 uitspraak had moeten doen.
9. Tot slot leidt de ambtshalve toets van de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel van bewaring niet tot het oordeel dat sprake is van enige omstandigheid op grond waarvan het voortduren van de maatregel van bewaring eerder dan 11 juni 2025 onrechtmatig was.
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag. Ook acht zij gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring (11 juni 2025 – 20 juni 2025). Deze vergoeding bedraagt 10 x € 100 (bij verblijf in het detentiecentrum) = € 1.000.
11. Nu is vastgesteld dat de termijnoverschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan de rechtbank, veroordeelt de rechtbank de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de door eiser gemaakte proceskosten. [6] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan op 20 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4867.
6.vgl. rechtsoverweging 3.14.2 van de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.