ECLI:NL:RVS:2006:AZ4867
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijnoverschrijding bij vreemdelingenbewaring en spoedige beslissing volgens EVRM
Appellant is op 29 september 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank ’s Gravenhage verklaarde op 20 oktober 2006 het beroep van appellant ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State en klaagde over de overschrijding van de uitspraaktermijn van zeven dagen zoals voorgeschreven in artikel 94, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State overwoog dat een enkele overschrijding van deze termijn met een dag niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. In het licht van artikel 5, vierde lid, EVRM moet worden beoordeeld of de beslissing spoedig is genomen. De rechtbank had binnen 21 dagen beslist, en appellant had geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die dit zouden veranderen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 27 november 2006 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat een enkele overschrijding van de uitspraaktermijn niet leidt tot onrechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en wijst het verzoek om schadevergoeding af.