ECLI:NL:RBDHA:2025:10964

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
25.15342
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende onderzoek opvangsituatie België

Eiser, een Somalische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling met het argument dat België verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. Na een eerdere vernietiging van een soortgelijk besluit door de rechtbank, moest de minister een nieuw besluit nemen met nader onderzoek.

De rechtbank oordeelt dat het nieuwe besluit van 27 maart 2025 onvoldoende gemotiveerd is en niet voldoet aan de opdracht om nader onderzoek te doen naar de opvangsituatie in België voor alleenstaande meerderjarige, niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers. De minister verwees slechts naar eerdere jurisprudentie zonder nieuwe feiten of inhoudelijke motivering.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15342

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, [1] op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser werd bijgestaan door een tolk. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij België op 1 juli 2024 een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek op
5 juli 2024 aanvaard.
5. Op 30 oktober 2024 heeft de minister een beschikking bekend gemaakt die inhield dat eisers asielaanvraag niet in behandeling werd genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Op 6 maart 2025 is dat beroep door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 20 oktober 2024 vernietigd. Dit betekent dat de minister was gehouden een nieuw besluit te nemen. De minister heeft vervolgens op 27 maart 2025 het thans bestreden besluit bekendgemaakt.
Motivering
6. Eiser stelt dat de minister in de nieuwe beschikking van 27 maart 2025 hetzelfde betoogt als in de beschikking van 30 oktober 2024. Hoewel de motivering iets uitgebreider is, steunt deze nog steeds op dezelfde pijlers en zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden bij het besluit betrokken. Eiser stelt bovendien dat de minister de nieuwe beslissing eerst in een voornemen aan eiser kenbaar had moeten maken. Nu dit niet is gebeurd kan volgens eiser niet worden gesproken van een zorgvuldige besluitvorming. De minister heeft in de nieuwe beschikking niets nieuws aangevoerd, en er wordt verwezen naar jurisprudentie die dateert van vòòr de eerste beschikking. Alle stukken die zijn aangevoerd hadden ook in de vorige procedure aangevoerd kunnen worden. De minister had volgens eiser niet op dezelfde gronden tot een nieuwe afwijzing kunnen komen. Nu in de uitspraak in het vorige beroep de overwegingen uit de uitspraak van de zittingsplaats Rotterdam [3] zijn overgenomen waarin de minister werd opgedragen om nader onderzoek te doen, is niet voldaan aan de opdracht die de rechtbank de minister heeft gegeven in de uitspraak van 6 maart 2025.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 maart 2025 is geoordeeld dat de verwijzing van de minister naar de Afdelingsuitspraak van 13 maart 2024 en de stelling dat er sindsdien geen sprake is geweest van een veel slechtere (opvang)situatie onvoldoende motivering is om uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens België. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de overwegingen van de uitspraak van 21 augustus 2024 van zittingsplaats Rotterdam [4] en deze overgenomen en tot de hare gemaakt. In deze overgenomen overwegingen wordt de minister opgedragen om nader onderzoek te doen naar de opvangsituatie in België, en is bepaald dat de minister zonder het verrichten van dit onderzoek niet mag overgaan tot overdracht aan België. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, en bepaald dat de minister een nieuw besluit moest nemen op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak. Dit houdt in dat de minister in de onderhavige zaak nader onderzoek moest doen naar de opvangsituatie in België.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit van
27 maart 2025 niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om ten opzichte van het vorige besluit nader onderzoek te doen. Door in het nieuwe besluit enkel te verwijzen naar jurisprudentie die dateert van vòòr de uitspraak van 6 maart 2025 kan niet worden gesproken van het doen van nader onderzoek naar de huidige opvangsituatie in België ten aanzien van alleenstaande meerderjarige, niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers. Voor zover de minister ter zitting heeft betoogd dat de beantwoording van de vragen gesteld door de Afdeling te gelden hebben als nieuwe feiten en omstandigheden, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Hoewel in het bestreden besluit is verwezen naar het feit dat de vragen van de Afdeling inmiddels zijn beantwoord is de inhoud van de beantwoording van die vragen niet betrokken bij de daadwerkelijke motivering van het besluit, Van een inhoudelijke motivering op basis van nieuwe feiten of daadwerkelijk onderzoek is dan ook niet gebleken. De toelichting die de minister op zitting heeft gegeven is bovendien onvoldoende om alsnog te concluderen dat aan het doen van nader onderzoek is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL25.15343.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.