ECLI:NL:RBDHA:2025:10977

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
NL25.26229
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 13 Verordening (EU) Nr. 604/2013Art. 3, tweede lid, Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-inbehandelingname asielaanvraag op grond van Dublinverordening Spanje

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 7 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening, gebaseerd op registratie in het Eurodac-systeem van een illegale binnenkomst via Spanje op 17 oktober 2024.

Eiser voerde aan dat in Spanje sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvang, verwijzend naar het AIDA-rapport 2024 en het Jawo-arrest van het Hof van Justitie. De rechtbank bevestigt het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen EU-lidstaten en stelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Spanje niet aan zijn verplichtingen voldoet.

De rechtbank oordeelt dat de situatie in Spanje geen zodanige tekortkomingen vertoont die de hoge drempel van zwaarwegendheid halen, en dat eiser zijn klachten bij Spaanse autoriteiten kan indienen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26229

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 7 april 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Volgens verweerder zijn de autoriteiten van Spanje verantwoordelijk voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eiser op 17 oktober 2024 illegaal via Spanje het grondgebied van de Europese Unie is ingereisd. In dit systeem registreren de lidstaten van de Europese Unie aan de hand van vingerafdrukken onder meer waar een vreemdeling illegaal de Europese Unie binnenkomt. Verweerder heeft daarom aan de autoriteiten van Spanje gevraagd om eiser over te nemen. Dit verzoek is op 20 mei 2025 door de autoriteiten van Spanje geaccepteerd op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat vreemdelingen die naar Spanje terugkeren op grond van de Dublinverordening problemen ondervinden bij het verkrijgen van toegang tot de asielprocedure en het verkrijgen van opvang. Hierbij verwijst hij naar het rapport ‘Country Report Spain. 2024 Update’ van AIDA van april 2025. Volgens eiser wordt hierdoor voldaan aan de hoge drempel van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Als uitgangspunt geldt dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel houdt in dat de lidstaten van de Europese Unie ervan uit mogen gaan dat de andere lidstaten zich aan de Europese afspraken houden, waaronder die over de behandeling van asielzoekers. Dit is recentelijk bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5353).
5. Dit is pas anders als blijkt dat er in de betreffende lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Deze tekortkomingen moeten dan bovendien de drempel van zwaarwegendheid van het Jawo-arrest halen. Het ligt allereerst op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat dergelijke tekortkomingen er zijn. Daarbij moet worden beoordeeld welke situatie de vreemdeling na overdracht op grond van de Dublinverordening te verwachten heeft, en dus niet de situatie waarin hij zich bevond toen hij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betrad. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024 in de zaak X. tegen Nederland, ECLI:EU:C:2024:195.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Spanje sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. In de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling wordt verwezen naar eerdere rechtspraak waarin een voorganger van het door eiser aangehaalde AIDA-rapport is besproken. Het meest recente door eiser aangehaalde AIDA-rapport laat geen wezenlijk ander beeld zien. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen, blijkt niet dat dergelijke voorzieningen voor hen stelselmatig niet bereikbaar zijn. Voor zover eiser meent dat Spanje zich niet aan zijn verplichtingen jegens hem houdt, dient hij hierover te klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Het is niet gebleken dat dat voor eiser onmogelijk of zinloos is.
7. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.