Eisers, een moeder en haar drie minderjarige kinderen van Nigeriaanse nationaliteit, verblijven sinds 2009 in Nederland en vroegen in 2019 een verblijfsvergunning aan op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De minister wees de aanvraag af wegens onttrekking aan toezicht en niet-beschikbaarheid voor vertrek, wat niet voldeed aan de voorwaarden van de regeling.
De rechtbank oordeelde eerder dat de minister het gedragswetenschappelijk BIC-rapport onvoldoende had betrokken bij de belangenafweging, met name met betrekking tot de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dat de minister de rapporten had moeten meenemen in de beoordeling van de evenredigheid.
Bij het bestreden besluit van april 2024 handhaafde de minister de afwijzing, maar de rechtbank stelt vast dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft ingegaan op de ernstige ontwikkelingsproblemen en de gevolgen van het langdurig verblijf en de procedure voor de kinderen. De nalatigheid van de moeder wordt niet zonder meer aan de kinderen toegerekend vanwege de onevenredige gevolgen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden proceskosten aan eisers toegekend.