ECLI:NL:RBDHA:2025:11324

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
NL24.44359
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 sub c Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Art. 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en terugkeerbesluit voor Pakistaanse asielzoeker wegens onvoldoende geloofwaardigheid bedreigingen

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, diende op 9 juni 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 6 november 2024 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de door eiser gestelde bedreigingen. Eiser betoogde dat de minister ten onrechte zijn problemen wegens bedreigingen niet geloofwaardig achtte, maar de rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende inzicht gaf in de identiteit van de bedreigers en geen aangifte had gedaan of overheidsbescherming gezocht.

Eiser was meerdere malen teruggekeerd naar Pakistan zonder problemen te ondervinden, wat het risico op ernstige schade bij terugkeer onvoldoende aannemelijk maakte. Ook het verband tussen de moord op zijn oom en de bedreigingen werd onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank concludeerde dat het asielmotief 'problemen wegens bedreigingen' niet geloofwaardig was en dat het geloofwaardige motief identiteit en herkomst geen recht gaf op een verblijfsvergunning.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de minister bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen, ondanks eerdere facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, omdat deze bescherming ten tijde van het besluit was beëindigd. De voorlopige voorziening die eiser verkreeg, gaf slechts een procedureel verblijfsrecht en geen geldige verblijfsvergunning. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44359

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] .
(gemachtigde: mr. M.M. Luik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en heeft op 9 juni 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 november 2024 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande berichtgeving niet verschenen.
1.2.
Op zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting te geven op de terugkeerverplichting zoals opgenomen in het bestreden besluit. De minister heeft hier op 24 januari 2025 van gebruik gemaakt. Op deze reactie heeft eiser op 30 januari 2025 gereageerd.
1.3. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens aangehouden in afwachting van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft op 23 april 2025 een drietal uitspraken gedaan. [2] Partijen zijn op 29 april 2025 in de gelegenheid gesteld om hier binnen twee weken, uiterlijk op 13 mei 2025, op te reageren. Hier hebben beide partijen gebruik van gemaakt. Op 13 mei 2025 hebben zij schriftelijk gereageerd waarbij partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting.
1.4.
Op 6 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek daarom gesloten. [3]

Beoordeling door de rechtbank

2. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – ten grondslag dat hij in 2018 in de problemen kwam omdat een groep mensen eisers vader heeft benaderd en geld van hem heeft geëist omdat eiser en zijn familie er financieel goed bij zaten. Als de vader van eiser niet zou betalen zou de groep eiser iets aandoen. Deze dreigementen werden steeds serieuzer en de groep wist waar eiser ondergedoken zat. Eind 2018, begin 2019 heeft eisers vader een deel van het geld betaald. Op een later moment werden wederom bedreigingen geuit, waar eisers oom zich mee ging bemoeien. Zijn oom is daardoor op 28 december 2022 vermoord. Uit veiligheidsoverwegingen en op advies van zijn vader is eiser in 2021 naar Oekraïne vertrokken om daar zijn studie te vervolgen. Na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne is hij naar Nederland vertrokken.
3.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen wegens bedreigingen.
De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen wegens de bedreigingen worden door de minister niet geloofwaardig geacht. Daarbij stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen niet met objectieve documenten volledig heeft onderbouwd. De minister beoordeelt vervolgens of eisers asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Er is geen sprake van samenhangende en aannemelijke verklaringen.
Het geloofwaardige asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst biedt volgens de minister vervolgens geen aanleiding om aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Uit de verklaringen blijkt niet dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging. Dat hij uit Pakistan komt is op zichzelf niet genoeg om te worden aangemerkt als vluchteling. Evenmin is dit op zichzelf genoeg om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.
Heeft de minister de gestelde problemen van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
4. De minister heeft aan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de gestelde problemen een aantal tegenwerpingen ten grondslag gelegd. Deze tegenwerpingen heeft eiser in beroep bestreden. Hieronder bespreekt de rechtbank deze tegenwerpingen en de gronden die eiser hiertegen heeft aangevoerd.
Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt door wie hij wordt bedreigd
4. Eiser betoogt dat de minister de door hem gestelde problemen wegens bedreigingen ten onrechte aanmerkt als niet geloofwaardig. In het bestreden besluit stelt de minister dat vanwege eisers referentiekader van hem verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren over de bedreigers of dat hij onderzoek kon doen. Eiser kon echter niet meer informatie verzamelen omdat hij alleen telefonisch werd bedreigd. Hij had door de dreigementen op dat moment veel last van spanningen en kon geen andere manieren bedenken om te achterhalen wie achter de dreigementen zat. Eiser ziet niet in waarom dit hem vanwege zijn referentiekader zou moeten lukken, nu er geen gegevens van de bedreigers voorhanden zijn. Eiser heeft alles verklaard wat hij kon verklaren.
4.1.
De minister stelt zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt dat gelet op het referentiekader van eiser van hem verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren over de bedreigers of dat hij zelf onderzoek heeft gedaan. Daarbij wijst de minister er terecht op dat eiser alleen stelt dat hij telefonisch werd bedreigd, maar hij weet niet door wie. [4] Dat het om een groep met veel invloed en een groot netwerk gaat is een aanname van eiser. [5] Het is aan eiser om inzichtelijk te maken voor wie hij vreest. In dit kader wijst de minister er op zitting terecht op dat eiser hoogopgeleid is en dat het gezin waaruit hij komt voldoende financiële middelen had. Gelet hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij meer onderzoek deed naar zijn gestelde bedreigers. Dat de bedreigingen telefonisch plaatsvonden betekent niet dat er geen enkel onderzoek mogelijk was. Dat eiser dergelijk onderzoek niet heeft verricht heeft de minister dan ook in zijn nadeel mogen meewegen.
Eiser heeft geen aangifte gedaan tegen de bedreigingen of overheidsbescherming gezocht
5. Eiser betoogt dat de minister hem niet kan tegenwerpen dat hij geen hulp heeft ingeschakeld. Eiser heeft namelijk aangegeven dat zijn vader werd bedreigd en dat hierbij duidelijk werd aangegeven dat er geen hulp mocht worden ingeschakeld. Ook was het niet mogelijk om hulp in te schakelen, eiser durfde dit namelijk niet vanwege angst in verband met de dreigementen en de bedreiging dat geen hulp ingeschakeld mocht worden. De minister moet dit geloofwaardig achten.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij geen aangifte heeft gedaan tegen de bedreigingen of anderszins om bescherming heeft verzocht. Daarbij heeft de minister er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 blijkt dat er zowel fysiek als digitaal aangifte kan worden gedaan van misdrijven. [6] Uit het ambtsbericht blijkt echter ook dat mensen met voldoende financiële middelen ook op andere manieren bescherming van de autoriteiten kunnen vragen [7] en uit eisers verklaringen volgt dat zijn familie het financieel goed heeft. [8] Dat eiser geen aangifte heeft gedaan omdat tegen zijn vader is gezegd dat eiser geen hulp mocht inschakelen heeft de minister onvoldoende verklaring mogen achten voor de keuze om geen aangifte te doen. Dit maakt immers niet dat het doen van aangifte of het zoeken van overheidsbescherming voor eiser niet mogelijk of zinloos was. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser is meerdere keren teruggekeerd naar Pakistan
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte in zijn nadeel weegt dat hij ondanks zijn vrees is teruggekeerd naar Pakistan. Dit terwijl eiser voorzorgsmaatregelen heeft getroffen en voorzichtig is geweest. Eiser had geen andere keuze dan terugkeren naar Pakistan, omdat zijn moeder ziek was en hij haar wilde zien. Dit weegt de minister ten onrechte in zijn nadeel, met name omdat de tweede keer is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht staat. Hoe ze er op dat moment achter zijn gekomen dat eiser in Pakistan was kan eiser niet achterhalen.
6.1.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet wordt ingezien dat eiser terugkeerde naar Pakistan terwijl hij stelt te vrezen voor zijn leven. Uit zijn verklaringen blijkt namelijk dat eiser twee keer vanuit Oekraïne is teruggekeerd naar Pakistan. [9] Beide keren heeft eiser geen problemen ondervonden. Ook heeft hij verklaard dat hij nadien geen bedreigingen meer heeft ontvangen en zijn moeder en zusje die nog in Pakistan verblijven evenmin. [10] De minister heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat niet valt in te zien dat eiser in Pakistan gevaar loopt als hij twee keer zonder problemen is teruggekeerd. Eiser stelt weliswaar dat hij beide keren voorzorgsmaatregelen heeft getroffen en dat hij voorzichtig is geweest, maar daarin heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om zijn standpunt te wijzigen. Eiser heeft ook niet onderbouwd hoe ze de tweede keer erachter zijn gekomen dat eiser in Pakistan was. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser heeft verklaard enkel het gevoel te hebben gehad dat hij in de gaten werd gehouden door mensen. [11] De enkele verklaring dat eiser niet weet hoe ze dit wisten heeft de minister onvoldoende mogen achten. [12] De beroepsgrond slaagt niet.
Moord op de gestelde oom is niet aan de bedreigingen te linken
7. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte stelt dat hij niet voldoende heeft onderbouwd dat zijn oom [persoon A] , een familielid, dan wel een dierbare van eiser is. Hij heeft hier namelijk voldoende verklaringen over afgelegd. Ook meent eiser dat met het feit dat zijn oom zich heeft bemoeid met de bedreigingen en het feit dat hij verder geen enkel probleem heeft gehad, het causaal verband tussen de dood van zijn oom en de bedreigingen voldoende aannemelijk is gemaakt.
7.1.
Eiser heeft met stukken onderbouwd dat [persoon A] is overleden. De minister stelt zich echter niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat, [persoon A] , een familielid, dan wel een dierbare van eiser is. De enkele verklaring dat hij de broer van de man van de zus van eisers vader is, is onvoldoende. De minister mag van eiser verwachten dat hij zijn verklaringen op een andere manier kan onderbouwen. Ook heeft de minister in de omstandigheid dat de gestelde oom van eiser verder geen problemen had, onvoldoende kunnen vinden om causaal verband aan te nemen tussen de dood en de telefonische bedreigingen. In dit kader heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat niet valt in te zien waarom telefonische bedreigingen ineens overgaan in moord. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Uit het voorgaande volgt dat de minister het asielmotief ‘problemen wegens bedreigingen’ niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Kon de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitvaardigen?9. Het bestreden besluit geldt ook als een terugkeerbesluit. Eiser wordt hierin verplicht om Nederland binnen vier weken te verlaten en terug te keren naar Pakistan. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister in dit geval een terugkeerbesluit kon uitvaardigen gelet op de eerder aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Richtlijn). [13] De rechtbank is van oordeel dat de minister hiertoe bevoegd was. Zij overweegt hiertoe als volgt.
9.1.
Eiser heeft na binnenkomst in Nederland facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn. Deze bescherming heeft de minister eerst beëindigd op 3 september 2023. Hier is eiser op 18 augustus 2023 over geïnformeerd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Vervolgens heeft de minister eiser op 29 januari 2024 geïnformeerd dat de facultatieve tijdelijke bescherming is verlengd tot 4 maart 2024. Op 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat eiser behandeld dient te worden alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn op hem van toepassing is, tot dat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. [14] De eerdere berichtgevingen over de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming bevatten geen terugkeerbesluit, omdat er nog beslist moest worden op de lopende asielaanvraag. Hierop heeft de minister met het bestreden besluit beslist.
9.2.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 19 december 2024 in de zaak Kaduna e.a. [15] de prejudiciële vragen wanneer de minister de facultatieve tijdelijke bescherming mocht beëindigen en wanneer zij een terugkeerbesluit mocht opleggen beantwoord. De Afdeling heeft naar aanleiding van de beantwoording van deze vragen in haar uitspraken van 23 april 2025 [16] vervolgens geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 mocht beëindigen. Verder heeft de Afdeling erop gewezen dat uit het arrest van het Hof van Justitie volgt dat de minister geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen aan personen zolang zij facultatieve bescherming genieten.
9.3.
Gelet op de onder 9.2. genoemde rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat de minister bij het bestreden besluit een terugkeerbesluit tegen eiser kon uitvaardigen. Immers ten tijde van het bestreden besluit genoot eiser geen facultatieve tijdelijke bescherming meer. Hierover is eiser op 29 januari 2024 geïnformeerd. Dat de voorzieningenrechter op 4 april 2024 een voorlopige voorziening heeft toegewezen maakt dit, anders dan eiser stelt, niet anders. Immers dit betreft slecht een procedureel rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 en dit valt niet onder de reikwijdte van de term ‘geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn. Uit de toelichting van de Europese Commissie [17] blijkt namelijk dat het moet gaan om een verblijfsrecht van een zekere en bestendige duur. Een procedureel verblijfsrecht is naar zijn aard onzeker en in de regel van korte(re) duur. Zo’n verblijfsrecht is vergelijkbaar met een vorm van tijdelijk uitstel van vertrek. Overigens betekent dit niet dat eiser op dit moment een vertrekplicht heeft zoals opgenomen in het terugkeerbesluit. Deze is, zo licht de minister in beroep terecht toe, opgeschort als gevolg van de toegekende voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
3.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
4.Verslag nader gehoor, pagina 20.
5.Verslag nader gehoor, pagina 20.
6.Algemeen Ambtsbericht Pakistan juli 2024, pagina 95.
7.Algemeen Ambtsbericht Pakistan juli 2024, pagina 97.
8.Verslag nader gehoor, pagina 7.
9.Verslag nader gehoor, pagina 24.
10.Verslag nader gehoor, pagina 25.
11.Idem.
12.Idem.
13.Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart
14.Zaaknummer NL23.26095 (niet gepubliceerd).
15.ECLI:EU:C:2024:1038.
17.Als opgenomen in paragraaf 5.4 van het ‘Terugkeerhandboek’, aanbeveling EU 2017/2338, van de Europese Commissie.