Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, diende op 9 juni 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 6 november 2024 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de door eiser gestelde bedreigingen. Eiser betoogde dat de minister ten onrechte zijn problemen wegens bedreigingen niet geloofwaardig achtte, maar de rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende inzicht gaf in de identiteit van de bedreigers en geen aangifte had gedaan of overheidsbescherming gezocht.
Eiser was meerdere malen teruggekeerd naar Pakistan zonder problemen te ondervinden, wat het risico op ernstige schade bij terugkeer onvoldoende aannemelijk maakte. Ook het verband tussen de moord op zijn oom en de bedreigingen werd onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank concludeerde dat het asielmotief 'problemen wegens bedreigingen' niet geloofwaardig was en dat het geloofwaardige motief identiteit en herkomst geen recht gaf op een verblijfsvergunning.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de minister bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen, ondanks eerdere facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, omdat deze bescherming ten tijde van het besluit was beëindigd. De voorlopige voorziening die eiser verkreeg, gaf slechts een procedureel verblijfsrecht en geen geldige verblijfsvergunning. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.