ECLI:NL:RVS:2025:1836
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit vanwege voortgezet recht op facultatieve tijdelijke bescherming
Deze zaak betreft twee hoofdvragen: de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming en het moment waarop een terugkeerbesluit mag worden uitgevaardigd. De minister had betrokkene opgedragen Nederland te verlaten omdat de tijdelijke bescherming volgens hem per 4 maart 2024 was geëindigd. De rechtbank oordeelde echter dat deze bescherming niet van rechtswege was geëindigd en vernietigde het terugkeerbesluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het Hof van Justitie om prejudiciële uitleg gevraagd, die bevestigde dat lidstaten discretionair zijn in de duur van facultatieve tijdelijke bescherming, mits dit binnen het kader van de richtlijn blijft en algemene Unierechtelijke beginselen worden gerespecteerd. Tevens oordeelde het Hof dat een terugkeerbesluit niet kan worden uitgevaardigd zolang de betrokkene legaal verblijft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming.
De Afdeling concludeert dat de minister bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024, maar dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 onrechtmatig was omdat betrokkene toen nog rechtmatig verbleef. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene ongegrond, en de besluiten van 24 januari en 7 februari 2024 worden vernietigd. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is vernietigd omdat betrokkene nog rechtmatig verbleef op grond van facultatieve tijdelijke bescherming.