Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 11 mei 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De Nederlandse autoriteiten stelden vast dat Frankrijk verantwoordelijk was voor de behandeling van zijn aanvraag en besloten tot overdracht. Eiser meldde zich echter niet op de geplande overdrachtsdata 7 en 14 februari 2025. Verweerder verlengde daarop de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wegens onderduiken.
Eiser voerde aan dat hij niet ondergedoken was, zich aan zijn meldplicht had gehouden en medische afspraken had. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende was geïnformeerd over zijn verplichtingen en dat hij doelbewust buiten bereik van de autoriteiten bleef. Zijn medische argumenten werden niet als verschoonbaar geaccepteerd, mede omdat hij niet tijdig had geïnformeerd over zijn afwezigheid.
De rechtbank concludeerde dat de verlenging van de overdrachtstermijn terecht was en wees het beroep af. Eiser werd op 13 mei 2025 aan Frankrijk overgedragen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.