ECLI:NL:RBDHA:2025:11336

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
NL25.26089
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.H.J. Boerhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 18 maart 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000, gericht op zijn uitzetting. De rechtbank beoordeelt of deze maatregel sinds 1 april 2025 nog rechtmatig is en of de belangenafweging correct is gemaakt.

Eiser betoogt dat de maatregel geen doel meer dient omdat geen laissez-passer is afgegeven en dat zijn jonge leeftijd onvoldoende is meegewogen. Ook stelt hij dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Verder vindt eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelt dat de minister nog steeds actief werkt aan de uitzetting, met aanvragen en rappelleren bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten. De belangenafweging blijft in het voordeel van de minister, mede omdat eiser zijn minderjarigheid niet met stukken onderbouwt. Er is geen reden om de maatregel op te heffen of te wijzigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 18 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op 12 juni 2025 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 19 juni 2025.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [1]
2. Uit de uitspraak van 7 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [2] Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 1 april 2025) onrechtmatig is.
Treft de maatregel van bewaring van eiser nog een doel?
3. Eiser betoogt dat zijn maatregel van bewaring geen doel meer treft. Aan hem is nog geen laissez-passer is afgegeven door de Marokkaanse of door de Algerijnse autoriteiten, terwijl zijn identiteit bekend is. Er is in totaal zestien keer gerappelleerd op zijn laissez-passeraanvraag sinds 14 november 2024.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser is in bewaring gesteld, zodat hij kan worden uitgezet. Dit is dan ook het doel van zijn inbewaringstelling. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister niet meer bezig is met zijn uitzetting. Uit de beroepsgronden van eiser en de voortgangsrapportage (het model M120) blijkt namelijk dat de minister laissez-passeraanvraag heeft verzonden naar de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten en hierop rappelleert. Dit is voldoende voor de rechtbank om aan te nemen dat de maatregel van bewaring van eiser nog steeds een doel treft, namelijk de uitzetting van eiser.
Heeft er een juiste belangenafweging plaatsgevonden?
4. Eiser betoogt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Eiser is zeventien jaar oud. De minister gaat er vanuit dat eiser negentien jaar oud is. In beide gevallen gaat het om een jongvolwassene die al enkele maanden in bewaring zit. Dit is niet wenselijk en kan zijn verdere ontwikkeling schaden. De minister houdt onvoldoende rekening met de leeftijd van eiser en de rechten van het kind. Omdat de leeftijd van eiser niet vaststaat is, moet eiser het voordeel van de twijfel krijgen.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van eiser ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister.
4.2.
Eiser heeft in zijn eerste beroep gesteld dat hij minderjarig is, dat de minister heeft gesjoemeld met zijn geboortedatum en dat hij één keer in de twee weken een gesprek heeft met Nidos. De rechtbank heeft toen geen aanleiding gezien om te oordelen dat de (niet onderbouwde) gestelde minderjarigheid van eiser moet leiden tot een andere uitkomst van de belangenafweging, die is gemaakt voor het opleggen van de maatregel. Eiser heeft zijn gestelde minderjarigheid in dit beroep wederom niet met stukken onderbouwd. Ook in het betoog van eiser waarin hij zegt jongvolwassen te zijn ziet de rechtbank geen aanleiding dat de belangenafweging tot een andere uitkomst moet leiden, dit standpunt is door eiser namelijk niet verder onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van bijzondere omstandigheden in dit geval geen sprake is. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister de maatregel in de te beoordelen periode had moeten opheffen op grond van een belangenafweging.
Is er zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?
5. Eiser betoogt er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn, omdat dat er geen gewijzigde omstandigheden zijn sinds de vorige bewaringsprocedure.
5.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije [3] en Marokko [4] in het algemeen niet ontbreekt. Uit het model M120 blijkt dat de minister op 25 oktober 2024 bij de Algerijnse autoriteiten en op 12 februari 2025 bij de Marokkaanse autoriteiten een aanvraag heeft ingediend tot het verstrekken van een laissez-passer. Op deze aanvragen wordt tot op heden gerappelleerd. Aan de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez-passer in orde te maken. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat zicht op uitzetting in zijn persoonlijke geval ontbreekt.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
6. Eiser betoogt dat de minister op dit moment niet voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Dat de minister vertrekgesprekken heeft gevoerd en heeft gerappelleerd, maakt dit niet anders. Zo is bijvoorbeeld geen speciale aandacht gevraagd bij de Marokkaanse of Algerijnse autoriteiten voor de situatie van eiser mede vanwege zijn leeftijd. Uit de vertrekgesprekken blijkt dat eiser wil meewerken om aan documenten te komen. Hij stelt dat hij via zijn moeder aan zijn identiteitsdocument kaart kan komen, maar dat hij zijn moeder niet kan bereiken. Het kan eiser niet worden aangerekend dat hij zelf geen concrete actie kan ondernemen vanuit detentie.
6.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft in totaal zestien keer gerappelleerd op de laissez-passeraanvragen, voor het laatst op 21 mei 2025. Ook zijn er met eiser drie vertrekgesprekken gevoerd, voor het laatst op 15 mei 2025. Met betrekking tot het betoog van eiser dat geen speciale aandacht is gevraagd bij de Marokkaanse of Algerijnse autoriteiten voor de situatie van eiser, wordt opgemerkt dat het aan de minister is om te bepalen wat nodig is om eiser uit te kunnen zetten. Het ligt niet op de weg van de minister om achter het identiteitsdocument van eiser aan te gaan. Het is de rechtbank niet gebleken waarom eiser in detentie geen handelingen zou kunnen verrichten om zijn identiteitsdocument te verkrijgen, waarmee hij zijn uitzetting zou kunnen bespoedigen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Nu duidelijk is dat eiser een jonge leeftijd heeft, had hij geholpen en opgevangen kunnen worden gedurende zijn laissez-passertraject. Eiser stelt dat hij contact heeft gehad met Nidos in het verleden en dat Nidos hem kan begeleiden in de tijd dat hij in afwachting is van een laissez-passer. In de tussentijd kan worden volstaan met een meldplicht.
7.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank heeft in haar ambtshalve toets in de uitspraak van 7 april 2025 geen aanleiding gezien om te oordelen dat de minister vanwege eisers(niet onderbouwde) gestelde minderjarigheid had moeten volstaan met een lichter middel. Hier ziet de rechtbank ook nu geen aanleiding voor. Er zijn door eiser namelijk geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd waardoor de rechtbank hier nu anders over zou moeten oordelen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.J. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 7 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5686.
3.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
4.Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
5.Vergelijk ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.