Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens het Dublin-verdrag.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 behandeld, waarbij eiser niet aanwezig was, maar zijn gemachtigde wel. Na een schorsing voor het aanleveren van nadere informatie en het sluiten van het onderzoek zonder verdere zitting, heeft de rechtbank beoordeeld dat eiser geen procesbelang meer heeft.
Dit oordeel is gebaseerd op het feit dat eiser als 'mob vertrokken' is geregistreerd door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, en zijn gemachtigde verklaarde geen contact meer met hem te hebben en niet te weten of eiser nog in Nederland verblijft. Hierdoor stelt eiser geen prijs meer op de aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die terughoudendheid adviseert bij het niet-ontvankelijk verklaren op basis van een mob-melding, maar in dit geval is het ontbreken van contact en verblijfplaats doorslaggevend.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst proceskostenvergoeding af.