Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 21 november 2023, waarbij de minister de beslistermijn wettelijk met negen maanden verlengde. Eiser stelde de minister op 7 maart 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij binnen twee weken beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet tijdig heeft beslist. Er is nog geen gehoor afgenomen over de asielmotieven van eiser, waardoor de rechtbank het 8+8-wekenmodel toepast: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen, en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalt dat geen dwangsom verbeurd wordt bij niet tijdig beslissen op asielaanvragen, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak dit als onverbindend verklaard. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier S.J. Simorangkir op 6 juni 2025 en is in het openbaar uitgesproken. De minister moet binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit nemen, anders verbeurt hij de dwangsom.