Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 22 maart 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 15 januari 2025 in gebreke en diende daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen een termijn van zestien weken alsnog moet beslissen, waarbij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet plaatsvinden over de asielmotieven, gevolgd door een besluit binnen acht weken daarna. Dit volgt het 8+8-wekenmodel zoals vastgesteld door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en uitgesproken op 26 juni 2025.