Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 6 maart 2024 en had zes maanden om te beslissen. Eiser stelde de minister op 2 oktober 2024 in gebreke en stelde daarna beroep in. De rechtbank acht het beroep gegrond omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op volgens het 8+8 wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen. Dit model volgt een eerdere uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 26 juni 2025.