Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 2 januari 2024, en hoewel eiser de minister op 24 juli 2024 in gebreke stelde, werd het beroep pas meer dan twee weken daarna ingediend. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is.
De minister had aanvankelijk de beslistermijn verlengd met negen maanden op grond van een beleidsregel, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer geldt. De rechtbank legt de minister een termijn van 8+8 weken op: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser, en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom opgelegd van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. Er is geen zitting gehouden omdat partijen geen verzoek daartoe hebben gedaan.