ECLI:NL:RBDHA:2025:11628
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid bij bedrijfsactiviteitenvergunning supermarkt
Verzoekster, een besloten vennootschap, heeft een aanvraag ingediend voor een bedrijfsactiviteitenvergunning voor een supermarkt gevestigd op een adres in Den Haag. Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoekster niet tijdig en onvoldoende inzicht heeft gegeven in de financiering van de onderneming, ondanks meerdere verzoeken daartoe.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de procedure heeft verweerder de werking van het besluit geschorst tot uitspraak. Vervolgens heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is omdat het bezwaar inmiddels is afgedaan en er geen koppeling meer is met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure. Verzoekster kan tegen de beslissing op bezwaar beroep instellen en opnieuw een voorlopige voorziening aanvragen.
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld omdat verzoekster onvoldoende bewijs heeft geleverd over de financiering van de onderneming. De gevolgen van het niet adequaat reageren op verzoeken om informatie komen voor rekening van verzoekster.
De uitspraak is gedaan op 5 juni 2025 door de voorzieningenrechter D. Biever, en is in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar inmiddels is afgedaan.