Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 19 april 2024, waarna de minister de beslistermijn aanvankelijk met negen maanden verlengde, maar deze verlenging later introk. Eiser stelde de minister op 24 oktober 2024 in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven, gevolgd door een besluit binnen acht weken daarna.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van toepassing was, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak geoordeeld dat de dwangsom toch kan worden opgelegd. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten van €453,50 aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder en is uitgesproken op 26 juni 2025. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.