De rechtbank Den Haag heeft op 4 juli 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van medeplegen van poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Alphen aan den Rijn. De verdachte had een explosief geplaatst en geprobeerd dit tot ontploffing te brengen, maar het misdrijf werd niet voltooid doordat de ontsteking mislukte.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen het explosief had geplaatst met opzet om een ontploffing te veroorzaken die gemeen gevaar voor goederen opleverde. Echter kon niet worden vastgesteld dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen bestond, waardoor de verdachte op die punten werd vrijgesproken.
De rechtbank legde een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 120 dagen op, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 40 uur, vervangbaar door 20 dagen jeugddetentie. De straf hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en het belang van resocialisatie.
De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding wegens onvoldoende concrete onderbouwing van psychisch letsel, ondanks gevoelens van angst. De rechtbank veroordeelde hen in de kosten van de verdediging, begroot op nihil.