ECLI:NL:RBDHA:2025:11763

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
NL25.26894
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18, eerste lid, onder d, Dublinverordening (EU) Nr. 604/2013Art. 17, eerste lid, DublinverordeningArt. 3, tweede lid, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens overdracht aan Duitsland

Eiser, met de Guinese nationaliteit, heeft op 13 april 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft dit verzoek niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling, gelet op een eerdere asielaanvraag van eiser in Duitsland in 2013 die was afgewezen. Dit besluit geldt tevens als overdrachtsbesluit aan Duitsland.

Eiser betoogt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, dat hij een kwetsbare asielzoeker is met medische klachten, en dat Duitsland niet voldoet aan minimumeisen voor opvang, mede door een gewijzigd politiek klimaat. De rechtbank oordeelt dat verweerder het voornemen zorgvuldig heeft voorbereid en dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij eiser moet aantonen dat er sprake is van systematische tekortkomingen in Duitsland die zwaarwegend zijn volgens het Jawo-arrest. Eiser slaagt hier niet in; bovendien is de overdracht door Duitsland geaccepteerd met garanties voor behandeling conform Europese richtlijnen.

De rechtbank wijst erop dat eiser geen medisch dossier heeft overgelegd en geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond die overdracht onevenredig zouden maken. De asielaanvraag is terecht niet in behandeling genomen en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wegens overdracht aan Duitsland is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26894

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] Dit besluit is tevens een overdrachtsbesluit.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Guinese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 13 april 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Uit informatie van de Duitse autoriteiten is gebleken dat eiser op 11 februari 2013 in Duitsland al een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, dat is afgewezen. Na aanvaarding van het terugnameverzoek door de autoriteiten van Duitsland op 27 mei 2025 [2] , heeft verweerder bij het bestreden besluit besloten om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit geldt tevens als een overdrachtsbesluit aan Duitsland.
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft een standaard voornemen uitgebracht dat onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op eisers individuele bezwaren tegen overdracht aan Duitsland. [3] De beslissing van verweerder om eisers asielaanvraag niet aan zich te trekken [4] is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. [5] Eiser heeft medische klachten en dient te worden aangemerkt als een kwetsbare asielzoeker. Duitsland voldoet niet aan de minimumeisen om kwetsbare asielzoekers op te vangen gelet op het gebrek aan toegang tot medische voorzieningen. Hierdoor zal Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomen. Daarbij is de politieke situatie in Duitsland gewijzigd. Eiser verwijst in dit kader naar de zienswijze, waarin hij stelt dat Duitsland momenteel anti-migratiebeleid voert.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig en ongemotiveerd tot stand is gekomen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder een voornemen mag uitbrengen met daarin standaard tekstblokken. [6] Hoewel niet alle verklaringen van eiser kenbaar in het voornemen zijn betrokken, zijn daarin wel door verweerder de dragende overwegingen opgenomen. Eiser is in kennis gesteld van het voornemen van verweerder om hem aan Duitsland over te dragen. Ook heeft eiser door middel van de zienswijze de gelegenheid gekregen om te reageren op het voornemen alvorens het besluit werd genomen. Van deze gelegenheid is door eiser ook gebruik gemaakt. Verweerder heeft vervolgens alle in de zienwijze opgenomen argumenten van eiser ook bij het nemen van het bestreden besluit betrokken. Daarnaast is het voornemen geen rechtshandeling, maar een voorgenomen mededeling van feitelijke aard die aan eiser bekend wordt gemaakt. Een voornemen is dus geen op een rechtsgevolg gericht besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Het is niet in geschil dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Als uitgangspunt geldt dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is, omdat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers. [7] Deze tekortkomingen moeten bovendien de drempel van zwaarwegendheid van het Jawo-arrest halen. [8] Hierbij moet de situatie worden beoordeeld die de vreemdeling na overdracht op grond van de Dublinverordening te verwachten heeft. [9] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Duitsland sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. Bovendien hebben de Duitse autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verdragen. Voor zover eiser meent dat Duitsland zich niet aan zijn verplichtingen jegens hem houdt, dient hij hierover te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Het is niet gebleken dat dit voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. De overige beroepsgronden die zien op eisers kwetsbaarheid en de recentelijk gewijzigde politieke situatie in Duitsland zijn een herhaling van de zienswijze. Daarop heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd gereageerd. Het is aan eiser om te onderbouwen waarom de reactie van verweerder niet volstaat. Hierin is hij niet geslaagd. Eiser heeft in zowel de zienswijze als in de beroepsgronden aangekondigd dat hij een kopie van zijn medische dossier zal overleggen. De rechtbank stelt vast dat eiser dit medische dossier niet heeft overgelegd, wat voor zijn rekening en risico komt. Daarnaast mogen de medische voorzieningen in de lidstaten als vergelijkbaar worden verondersteld. Eiser heeft geen aanknopingspunten gegeven voor een ander oordeel. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. Ook heeft eiser verder geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat de overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel, 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3.Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak met het kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2024:23304, rechtsoverweging 4.2.
4.Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
5.Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak met het kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.
6.Uitspraak van 11 april 2025 met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2025:1642.
7.Zoals volgt uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
8.Zie het arrest
9.Dit volgt uit het arrest met het kenmerk ECLI:EU:C:195.