Uitspraak
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Poolse EU-onderdaan die een verwijderingsmaatregel kreeg opgelegd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. De eiser leidt een zwervend bestaan, verricht sinds januari 2024 geen arbeid meer en heeft geen eigen middelen van bestaan. Verweerder legde een vertrektermijn van één maand op na een belangenafweging.
Eiser betoogde dat de belangenafweging onvoldoende was, dat de maatregel disproportioneel is gezien zijn arbeidsverleden, en dat de vertrektermijn onduidelijk en onterecht kort is. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende uitleg gaf over het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder heeft laten wegen en dat de enkele positieve omstandigheden van eiser onvoldoende zijn om de belangenafweging te wijzigen. De informatievoorziening over het beëindigen van verblijf was toereikend, mede door verwijzing naar de openbare werkinstructie en het arrest F.S. De vertrektermijn van één maand is conform jurisprudentie en behoeft geen nadere motivering.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, waarbij eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.