Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een beslistermijn van acht weken werd gesteld, maar deze is inmiddels ruim overschreden, namelijk 21 maanden.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn bevatte. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van twee weken op, rekening houdend met het belang van een snelle en zorgvuldige besluitvorming en de reeds ingediende zienswijze van eiser.
Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom opgelegd van € 250,- per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier D.C. van de Mortel op 26 juni 2025.