Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:11982

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
NL25.15040
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat het voornemen en het bestreden besluit zorgvuldig zijn genomen en gemotiveerd. Het ontbreken van een claimakkoord bij het voornemen is niet onzorgvuldig, omdat een voornemen een voorbereidende handeling is. De verklaring van eiseres is juist weergegeven.

Eiseres betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege tekortkomingen in de opvang in Spanje, maar de rechtbank volgt dit niet. Er is onvoldoende bewijs voor structurele tekortkomingen die een schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren. De minister mocht vertrouwen op de garanties van Spanje.

Verder is onvoldoende onderbouwd dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast moet worden wegens bijzondere humanitaire omstandigheden. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd en de minister hoefde geen aanvullend onderzoek te doen. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij aangifte van mensenhandel heeft gedaan.

Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15040

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.15041. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 29 januari 2025 bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 6 februari 2025, op grond van artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening aanvaard.
Zorgvuldigheid van het voornemen en het bestreden besluit
5. Eiseres stelt dat het voornemen een voorbereidende beslissing is en niet een voorbereidingshandeling. De voorbereidende beslissing moet alle elementen bevatten die nodig zijn om te kunnen beslissen. In dit geval ontbrak het claimakkoord van Spanje. Dit is een belangrijk onderdeel van de beslissing en zonder toestemming van Spanje is een overdracht niet mogelijk. Nu dit essentiële onderdeel ontbrak bij het voornemen, is het voornemen niet op een zorgvuldige manier genomen en gemotiveerd en dient het als niet uitgebracht te worden beschouwd. De artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [3] zijn dan ook geschonden. Omdat er geen eerlijke procedure plaatsvindt, is ook artikel 6 van Pro het EVRM [4] geschonden, aldus eiser. Eiseres stelt daarnaast dat ook het bestreden besluit onzorgvuldig is. Haar verklaring over wat haar bij aankomst in Spanje zou zijn overkomen, is hier namelijk onjuist in weergegeven.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat geen rechtsregel of wet zich ertegen verzet dat een voornemen wordt uitgebracht terwijl er op dat moment nog geen sprake is van een claimakkoord. Anders dan eiseres stelt, is een voornemen namelijk een voorbereidende handeling en nog geen daadwerkelijk besluit. Ook de Dublinverordening vereist niet dat een claimverzoek al is geaccordeerd ten tijde van het uitbrengen van het voornemen. De rechtbank volgt eiseres ook niet in de stelling dat het voornemen onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister heeft in het voornemen namelijk voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Het bevat daarmee de dragende overwegingen en voldoet aan de gestelde eisen [5] . De rechtbank constateert tot slot dat de betreffende verklaring van eiseres zoals deze wordt genoemd in het besluit, overeenkomt met haar verklaring zoals opgenomen in het verslag van het aanmeldgehoor. De beroepsgronden slagen niet.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiseres voert verder aan dat niet langer uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Eiseres verwijst daarbij naar het AIDA rapport van 30 mei 2024, waaruit blijkt dat ook Dublinterugkeerders geen opvang krijgen in Spanje. Eiseres heeft na haar eerdere overdracht aan Spanje geen opvang gekregen en is op straat beland. Daarom is ze met iemand mee naar huis gegaan. Deze man heeft haar 10 maanden vastgehouden en misbruikt. Vervolgens is ze in Frankrijk 4 maanden misbruikt door een andere man. Eiseres is hiermee in een zeer verregaande staat van geestelijke deprivatie beland. Dit heeft kunnen gebeuren doordat eiseres geen opvang had in Spanje. Dat vele asielzoekers in Spanje geen opvang krijgen, blijkt volgens eiseres ook uit het jaarverslag over 2022 van de Spaanse Ombudsman. Eiseres verwijst daarnaast naar de uitspraak over Italië van de Afdeling van 26 april 2023 [6] . De Afdeling zag in de berichtgeving over Italië aanleiding voor het oordeel dat er voor Dublinclaimanten geen opvangfaciliteiten beschikbaar waren en bepaalde daarom dat er geen overdrachten naar Italië meer plaats mochten vinden.
6.1.
In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Dit uitgangspunt is ten aanzien van Spanje door de Afdeling bevestigd op 27 juli 2023 [7] en 24 juni 2024 [8] . Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest [9] .
6.2.
Eiseres is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Uit de door eiseres aangehaalde informatie kan niet worden afgeleid dat er zodanige problemen zijn met de opvangvoorzieningen in Spanje dat er sprake is van structurele tekortkomingen, die de hoge drempel van zwaarwegendheid van artikel 3 van Pro het EVRM bereiken. De Afdeling is in de uitspraak van 24 juni 2024 ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en heeft onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de informatie waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd, waaronder de Afdelingsuitspraak over Italië, geen aanleiding voor een ander oordeel. Daar komt bij dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiseres in behandeling te nemen conform de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Wanneer zij na overdracht toch problemen ervaart, ligt het op de weg van eiseres daarover te klagen bij de aangewezen instanties. De enkele stelling van eiseres dat de beveiliging en de politie haar niet wilde helpen, is onvoldoende om aan te nemen dat klagen bij voorbaat kansloos is. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij enige inspanning heeft getoond om haar klachten inzichtelijk te maken.
Onderzoek, artikel 17 van Pro de Dublinverordening en aangifte van mensenhandel
7. Eiseres voert aan dat zij door wat zij in Spanje heeft meegemaakt, ernstig getraumatiseerd is geraakt. Zij heeft in de zienswijze de minister dan ook verzocht onderzoek te doen naar de geestelijke gesteldheid van eiseres. Dat zij niet over medische stukken beschikt, is buiten haar schuld om. Het bestreden besluit is ook op dit punt onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Het is daarnaast inhumaan om eiseres over te dragen aan Spanje na wat haar daar is overkomen. Bovendien is er geen garantie dat zij nu wel opvang zal krijgen. Haar situatie is zeer bijzonder en de minister dient de asielaanvraag van eiseres op zich te nemen op humanitaire gronden zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Tot slot heeft eiseres, anders dan de minister stelt, wel aangifte gedaan van mensenhandel. Ter onderbouwing heeft zij een vervoersbewijs naar de politie van 7 januari 2025 aan het dossier gevoegd. Zij weet niet wat AVIM met de aangifte heeft gedaan. In ieder geval had de minister op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb moeten onderzoeken wat de stand van zaken is.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft terecht overwogen dat eiseres de psychische gevolgen van haar eerdere ervaringen in Spanje niet met medische stukken heeft onderbouwd. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat eiseres in Nederland specialistische zorg nodig heeft of een behandeling moet ondergaan, waardoor de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn. De minister heeft daarbij terecht nogmaals overwogen dat ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten eiseres niet zouden willen helpen. De minister heeft in de aangevoerde omstandigheden van eiseres niet ten onrechte geen aanleiding gezien voor de conclusie dat een overdracht van onevenredige hardheid getuigd.
7.2.
Voor zover eiseres een beroep doet op het arrest C.K., heeft de minister zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat van een situatie zoals bedoeld in dit arrest geen sprake is. Eiseres heeft zoals gezegd geen medische documenten overgelegd. De stelling dat zij er niks aan kan doen dat ze niet over medische documenten beschikt, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat eiseres genoeg tijd heeft gehad om haar medische dan wel psychische problemen te onderbouwen. Omdat zij dit niet heeft gedaan, was de minister niet gehouden onderzoek te doen naar de (geestelijke) gezondheid van eiseres. De rechtbank volgt eiseres tot slot niet in de stelling dat de minister had moeten onderzoeken wat de status is van de door haar gedane aangifte van mensenhandel. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd dat zij aangifte van mensenhandel heeft gedaan en dit blijkt ook niet uit het dossier. Het door eiseres overgelegde vervoerbewijs is daarvoor onvoldoende. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit aangegeven geen kennisgeving van aangifte zoals bedoeld in paragraaf B8/3.1. van de Vc [10] te hebben ontvangen. Van enige onzorgvuldigheid is dan ook geen sprake.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres mag worden overgedragen aan Spanje. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348. Deze uitspraak is bevestigd op 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2967.
9.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
10.Vreemdelingencirculaire 2000.